Voor en door huisartsen
 

Extra ondersteuning in de jeugdhulp: ja of nee?

 
 
Veel collega-huisartsen zullen het herkennen: sinds de jeugdhulp de verantwoordelijkheid is geworden van de gemeenten is er het nodige veranderd voor jongeren met psychische klachten. Zo zijn er op veel plaatsen jeugdteams en wijkteams gekomen als nieuwe toegangspoort. Er wordt ook een groter beroep gedaan op huisartsen. Het kan een uitdaging zijn om als huisarts daarin uw rol en positie te bepalen. Aan de ene kant wilt u helpen om kinderen in uw praktijk hulp te bieden, aan de andere kant kunt u geen gaten vullen die elders zijn gevallen. Veel collega’s zijn in die spagaat beland.
Extra ondersteuning in de jeugdhulp: ja of nee?
Garmt Postma, bestuurslid LHV, huisarts

Ik zie in het hele land diverse initiatieven voorbijkomen waarbij er in de huisartsenpraktijk extra aandacht wordt besteed aan de jeugdhulp. Bijvoorbeeld door de inzet van een POH-jeugd of van een jeugdconsulent. Soms ligt daarvoor het initiatief bij de huisartsen zelf, in andere gevallen vanuit  de gemeente. Dat kan goed uitpakken: een ondersteuner voor jeugd die binnen de vertrouwde omgeving van de huisartsenpraktijk werkt, gericht kan verwijzen en goede contacten onderhoudt met het gemeentelijke aanbod. Ik ken mooie voorbeelden van hoe die extra inzet in de huisartsenpraktijk leidt tot een verheldering van de hulpvraag en zodoende tot minder onnodige en dus meer zinnige verwijzingen naar de gespecialiseerde jeugd-GGZ en minder medicatievoorschriften.

Er zijn echter nog wel wat vraagstukken: wie is er eigenlijk eindverantwoordelijk voor de zorg die zo’n ondersteuner biedt? Wie draait er op voor de kosten en is dat ook gegarandeerd voor de langere termijn? Vallen de werkzaamheden van deze ondersteuner binnen of buiten de huisartsenzorg en heeft u ook de competenties om deze persoon goed te begeleiden en beoordelen? Dat klinkt misschien wat demotiverend, maar het zijn wel belangrijke zaken om bij stil te staan.

Een van de uitgangspunten van de decentralisatie is dat er een betere afstemming komt van de jeugdhulp en dat hulp waar mogelijk in de buurt van het kind wordt ingezet. Dat is een uitgangspunt waar ik me, en de LHV, in zijn algemeenheid goed in kan vinden. De vraag is of al deze nieuwe initiatieven in de huisartsenpraktijk daar nu aan gaan bijdragen. Of dat, misschien wat negatief gesteld, de huisartsgeneeskunde hiermee weer de gaten dichtloopt, omdat andere partijen het zelf niet goed organiseren of financieren.

Ik ga graag van een positieve benadering uit. Als ik hoor van de positieve energie die deze projecten de betrokken huisartsen opleveren en de goede resultaten die worden gemeld, dan denk ik dat dit een welkome ontwikkeling is. Waakzaamheid is echter geboden. Huisartsen kunnen in hun verantwoordelijkheidsgevoel voor goede zorg, en zeker als het gaat om kinderen die juiste en snelle hulp nodig hebben, hun eigen grenzen makkelijk passeren. Uw tijd is schaars en vanuit allerlei kanten wordt er om extra aandacht van de huisarts gevraagd; we pleiten als LHV niet voor niets voor Meer tijd voor de patiënt.  De vraag is of we alles binnen de huisartsenpraktijk moeten halen. Er zijn immers ook goede ervaringen met ondersteuners die buiten de huisartsenpraktijken vallen, maar wel als schakel optreden tussen huisartsen en wijkteams.

Ik moedig mijn collega’s dus aan om scherp na te gaan wat ze zelf willen en kunnen bieden. Let op uw grenzen in haalbaarheid, verantwoordelijkheid en capaciteit. En leer van de ervaringen van anderen: wat werkt, wat werkt niet, waar moet u op letten? Want onthoud: de juiste zorg op de juiste plek kan voor jongeren betekenen dat er een speciale plek voor hen is binnen uw praktijk of gezondheidscentrum óf dat u de weg weet náár de juiste plek. Dan zet u het belang van het kind voorop.

Garmt Postma
Bestuurslid LHV, huisarts