Voor en door huisartsen
 

Erkenning problemen medische zorg in kleinschalige woonzorgvoorzieningen

 
 
Erkenning problemen medische zorg in kleinschalige woonzorgvoorzieningen
Eind vorig jaar trokken huisartsen en specialisten ouderengeneeskunde aan de bel, omdat de (medische) zorg aan ouderen in de kleinschalige woonzorgvoorzieningen niet goed is geregeld. Het ministerie van VWS erkent dat er problemen zijn met de verantwoordelijkheidsverdeling bij medische zorg en laat de Tweede Kamer weten dat woonzorgaanbieders er vooraf op moeten toezien dat de medische functie goed is geborgd. Zowel zorgkantoor, zorgverzekeraar, zorgaanbieder als zorgverlener hebben hierin een rol.

Verpleeghuiskader

Het ministerie van VWS geeft aan dat de zorg in kleinschalige woonvormen waar patiënten wonen met een vpt (volledig pakket thuis) of pgb (persoonsgebonden budget) met algemene medische zorg uit de Zorgverzekeringswet, ook onder het kwaliteitskader verpleeghuiszorg vallen. Het kwaliteitskader is helder over waaraan verantwoorde medische zorg in zorgorganisaties moet voldoen, namelijk:

  • Op iedere locatie moet een arts 24/7 bereikbaar en oproepbaar zijn
  • 24/7 moet een specialist ouderengeneeskunde (SO) beschikbaar zijn indien de zorgvraag dit vereist
  • De zorgorganisatie moet voldoende expertise hebben over de eigen doelgroep
  • Patiënten hebben recht op zowel algemene medische zorg als specialistische medische zorg, zoals psychogeriatrische expertise.

De kleinschalige woonzorgaanbieder is volgens minister De Jonge primair verantwoordelijk voor het leveren van goede verantwoorde zorg in de instelling en voor het zoeken naar een oplossing bij eventuele knelpunten.

Grenzen huisartsenzorg en inzet SO

Huisartsen geven aan dat de verantwoordelijkheid voor de medische zorg vaak volledig bij hun terecht komt, terwijl de complexiteit ervan de huisartsenzorg overstijgt en de randvoorwaarden niet zijn geregeld. De LHV vindt het belangrijk dat het hoofdbehandelaarschap niet per definitie bij de huisarts ligt. Het is afhankelijk van de complexiteit van de zorgvraag, niet van de manier waarop de zorg wordt gefinancierd.

De minister geeft in zijn antwoord aan dat het zogenaamde ‘hoofdbehandelaarschap’ niet automatisch bij de huisarts ligt: "Dit is echter niet wettelijk vastgelegd en is wat mij betreft ook geen vereiste. Overige eerstelijnsberoepsbeoefenaren, waaronder de specialist ouderengeneeskunde, of arts verstandelijk gehandicapten kunnen ook hoofdbehandelaar zijn. Het is aan huisartsen, specialisten ouderengeneeskunde, de zorginstelling en het zorgkantoor/zorgverzekeraar om afspraken te maken over het hoofdbehandelaarschap."

Uit de antwoorden van de minister blijkt dat de inspectie IGJ erkent dat er nog te weinig gebruik wordt gemaakt van de inzet van een SO. Ook is de samenwerking tussen huisarts en SO niet altijd vanzelfsprekend, dit wordt wel noodzakelijk geacht voor de zware zorgvraag die de kennis en kunde van de huisarts overstijgt en ook om de huisarts in de geboden zorg te ontlasten.

Randvoorwaarden

De door de LHV ontwikkelde leidraad Medische zorg voor ouderen in (kleinschalige) woonzorginstellingen staat huisartsen bij in de discussie over het leveren van zorg en helpt bij het maken van realistische afspraken met kleinschalige woonzorginstellingen. De LHV doet hierin duidelijke uitspraken over waar de huisarts wel én niet van is en aan welke randvoorwaarden moet worden voldaan wil de huisarts de huisartsgeneeskundige zorg kunnen bieden. Het ministerie haalt in haar beantwoording de passages aan uit de leidraad over de noodzakelijke randvoorwaarden voor huisartsen:

"Zij signaleren daarbij nu in de leidraad dat zij enkel nog huisartsgeneeskundige zorg kunnen leveren, als:

  • dit niet ten koste gaat van het basisaanbod dat huisartsen leveren aan de bestaande patiëntenpopulatie van de huisartsenpraktijk;
  • zij zich bekwaam voelen;
  • zij zich kunnen beperken tot de huisartsgeneeskundige zorg;
  • vanuit de instellingen wordt gewaarborgd dat er voldoende behandelexpertise van de specialist ouderengeneeskunde te alle tijde beschikbaar is."

Hoe nu verder?

De LHV is blij met de erkenning van de minister dat zowel zorgkantoor, zorgverzekeraar, zorgaanbieder als zorgverlener een verantwoordelijkheid hebben om verantwoorde zorg te borgen in kleinschalige woonvormen. Het ministerie geeft aan dat een gezamenlijk beeld nodig is over een toekomstbestendige artsenfunctie. Hierover wil het ministerie met LHV, Verenso en kleinschalige woonvormaanbieders in gesprek.

Daarnaast is de verwachting dat het ministerie binnenkort met een standpunt komt over de financiering van kleinschalige woonvormen. Het ZiN heeft in 2017 geadviseerd dat alle cliënten die in een instelling of vergelijkbare situatie zitten, dezelfde Wlz-zorg zouden moeten krijgen. De LHV vindt het essentieel dat hier duidelijkheid over komt en is voorstander van een integraal pakket aan zorg onder de Wlz. 

In de tussentijd raadt de LHV haar leden aan gebruik te maken van de leidraad die huisartsen steunt in de keuze of en onder welke voorwaarden zij zorg leveren.

Meer informatie