Voor een gezonde huisartsenzorg
 

Financiering 2018: Er is budget voor het aanpakken van knelpunten

 

Een nieuw meerjarenakkoord vraagt een nieuwe minister van VWS en dus een nieuw kabinet. Maar zover is het nog niet. Daarom ligt er nu een akkoord voor één jaar over de bekostiging van de huisartsenzorg, met reële ruimte om knelpunten in de zorg aan te pakken. Gaan de ziekenhuizen en zorgverzekeraars meewerken om die ruimte te benutten? LHV-voorzitter Ella Kalsbeek over de kansen en knelpunten van het ‘tussenakkoord’.

Tip: Lees hieronder het artikel of download de pdf

Was het echt nodig, zo’n tussenakkoord?

LHV-voorzitter Ella Kalsbeek over het tussenakkoord voor 2018“Absoluut. We hebben hierdoor veel geld voor de huisartsenzorg kunnen behouden. Het probleem is dat het beschikbare budget voor de huisartsenzorg de afgelopen jaren niet volledig is benut. Er was vorig jaar 2,9 miljard euro te besteden, daarvan is 139 miljoen euro op de plank blijven liggen. Als we geen nieuw akkoord hadden gesloten, was dat geld in 2018 van het begrotingskader afgetrokken. Zo gaat het standaard bij alle Rijksbegrotingen. Inkoopruimte die niet wordt benut, wordt door de minister van Financiën het volgende jaar niet weer beschikbaar gesteld.

Zo’n tussenakkoord is de enige manier om dat te voorkomen. Daar hebben we ons samen met InEen hard voor gemaakt. We hebben de knelpunten geïnventariseerd, een verlanglijstje opgesteld en daar bedragen achter gezet. Daar zijn wij de onderhandelingen mee ingegaan en dat heeft een goed resultaat opgeleverd.”

Maar waarom is dat geld niet uitgegeven? Huisartsen zijn toch juist veel meer werk gaan doen?

“Dat is inderdaad de grote vraag. Daar hebben we in de onderhandelingen met de zorgverzekeraars ook over gesproken. Zij houden kennelijk graag de hand op de knip. Toch is dat niet de bedoeling van de minister van VWS, dat is niet de bedoeling van ons en InEen, en dat zou ook niet de bedoeling van de zorgverzekeraars moeten zijn. Hun opdracht is om hoogwaardige zorg te leveren. En dat betekent dat een aantal knelpunten in de huisartsenzorg moet worden opgelost. Dat vraagt investeringen.”

Wat houdt het tussenakkoord precies in?

“We behouden hetzelfde budget als in het vorige akkoord was afgesproken én we mogen 2,5 procent groeien, terwijl de ziekenhuizen en de ggz bijvoorbeeld maar 1 procent mogen groeien. Daar komt de indexatie nog bij. Een winstpunt is ook dat huisartspraktijken voortaan een vergoeding kunnen krijgen voor O&I: organisatie en infrastructuur. Dat betekent bijvoorbeeld geld voor een praktijkmanager. Ook is er ruimte om te investeren in knelpunten. Voor de gehele huisartsenzorg, inclusief multidisciplinaire zorg, is in 2018 3,5 miljard euro beschikbaar.

Daarnaast is er 75 miljoen euro uit het begrotingskader van de ziekenhuizen vrijgemaakt voor substitutie: zorg die van de tweede lijn naar de eerste lijn gaat. Dat geld staat dus nu vooraf klaar met het concrete doel: substitutie. De afgelopen jaren liepen veel afspraken vast omdat het niet lukte om het budget verschoven te krijgen vanuit het ziekenhuis. Dat was heel erg frustrerend voor de initiatiefnemers. Dit probleem wordt met deze aparte pot dus ook aangepakt.”

Hoe kunnen huisartsen aanspraak maken op die pot van 75 miljoen?

“Huisartsen moeten nog dit jaar afspraken maken met de verzekeraars en de ziekenhuizen over de medisch specialistische zorg die zij in 2018 van ziekenhuizen overnemen. Die afspraken zullen vooral door regionale huisartsenkringen worden gemaakt. Samenwerken zou daarbij goed kunnen werken. Het kunnen nieuwe plannen zijn of plannen die eerder zijn blijven liggen, omdat er geen geld voor was. Aan het eind van dit jaar wordt gekeken voor hoeveel geld er aan afspraken is gemaakt en hoeveel budget daarmee extra aan het huisartsenkader wordt toegevoegd. Het eventueel resterende deel van de 75 miljoen gaat dan alsnog terug naar de ziekenhuisbegroting.

Het geld uit de pot mag overigens ook worden gebuikt voor extra ketenzorg. Op dit moment wordt er al meer aan ketenzorg uitgegeven dan begroot, omdat er meer huisartsen en meer patiënten meedoen dan begroot. Ketenzorg kan dus worden uitgebreid en geïntensiveerd. Voor afspraken daarover zijn de ziekenhuizen niet nodig.”

Hebben de ziekenhuizen er wel zin in om dat soort afspraken te maken en kan het in zo korte tijd?

“Er is best reden voor scepsis, maar laten we de komende maanden vooral goed gebruiken om plannen in te dienen. Wij moeten kunnen laten zien dat we voor miljoenen euro’s aan plannen hebben ingediend. Het kan zijn dat plannen niet worden gehonoreerd, maar dan hebben we toch een ander gesprek met ziekenhuizen en zorgverzekeraars dan wanneer we zelf weinig plannen hebben ingediend.”

Welke knelpunten gaat dit akkoord oplossen?

“In het akkoord zijn de belangrijke knelpunten benoemd: meer tijd voor de patiënt, kwetsbare ouderen, ggz, achterstandsproblematiek, acute zorg, samenwerking met het sociale domein en betere ondersteuning. De beschikbare inkoopruimte ruimte kan dus worden gebruikt om daarop in te zetten.

Een voorbeeld is zo’n vergoeding voor O&I. Iedereen vindt dat huisartsen beter ondersteund moeten worden, bijvoorbeeld door huisartsen in loondienst, POH’s, assistentes en ander personeel. Maar om de praktijk en de samenwerking te organiseren, hebben huisartsen ook praktijkondersteuning nodig. Daarom is het goed dat er in 2018 een O&I-betaaltitel voor praktijkmanagement bestaat en dat het akkoord inkoopruimte biedt om te investeren in praktijkmanagement.

Een ander voorbeeld is de vergoeding voor huisartsenpraktijken in achterstandswijken. Er wordt sinds jaar en dag van uitgaan dat er 800.000 mensen in achterstandswijken wonen, maar het zijn er inmiddels 1,2 miljoen. Veel huisartsen in achterstandswijken stellen vast dat ze veel extra werk moeten doen in vergelijking met middelklasse-wijken, maar dat ze daar niet extra voor worden betaald. Er is nu geld om daarin te investeren.”

Worden die knelpunten door de zorgverzekeraars onderschreven?

“De knelpunten zijn door alle partijen ondertekend. We hadden er per knelpunt ook graag bedragen bij gezet, maar dat wilden de zorgverzekeraars niet. Maar er is hoe dan ook financiële ruimte om knelpunten op te lossen. Het kan niet zo zijn dat een zorgverzekeraar zegt: daar doen wij niet aan. We hebben dit in het akkoord afgesproken en daar staan ook de handtekeningen van de zorgverzekeraars onder.”

Waarom houden de zorgverzekeraars de hand op de knip als dat niet nodig is?

“Tsja, goede vraag. Ze denken dat ze door de uitgaven laag te houden een stijging van de zorgpremies kunnen voorkomen. Maar investeringen in de eerste lijn zijn juist de beste en goedkoopste manier om stijgende kosten in de tweede lijn te voorkomen. Wij hadden verwacht dat de zorgverzekeraars dat inmiddels ook zouden inzien en ernaar zouden handelen, maar in de praktijk valt dat nog steeds heel erg tegen.”

Ziet u dit tussenakkoord als een goede aanloop naar een meerjarenakkoord voor 2019 en verder?

“We hebben het begrotingskader voor de huisartsenzorg op peil kunnen houden en zelfs kunnen vergroten. Ik ben ervan overtuigd dat we die lijn gaan voortzetten vanaf 2019. Het is onmogelijk om de enorm toegenomen werklast rond ouderen, ggz, ANW en achterstandswijken in een jaar weg te werken. Die punten zullen daarna ook nog wel op de agenda staan.

Voor het volgende akkoord gaan we nadenken over de vraag hoe we de zorg structureel zo inrichten dat die over de hele linie betaalbaar en hoogwaardig van kwaliteit blijft. Er komt het komend jaar in ieder geval een onafhankelijk onderzoek naar wat er nodig is om meer zorg te verschuiven van de tweede naar de eerste lijn en wat dat betekent voor bijvoorbeeld de menskracht in die eerste en tweede lijn. Dat zijn dingen die je moet onderzoeken, plannen en voorbereiden.”

De Nederlandse Zorgautoriteit is intussen bezig met een kostenonderzoek. Heeft dat nog effect op de bekostiging?

“Er verandert zoveel in de huisartsenzorg dat je de zorg wilt bekostigen op een manier die het mogelijk maakt om vooruit te kijken en te investeren. Niet door de tarieven te baseren op de situatie van een aantal jaren geleden. Dat is wat er nu gebeurt. Wij willen toe naar minder patiënten per huisarts om de zorg in de eerste lijn verder te versterken. Langs die weg helpen wij de totale zorgkosten beteugelen. Daarover zijn we met de NZa in gesprek. Het is ook een punt in de gesprekken met de zorgverzekeraars. Zorgverzekeraar VGZ doet al pilots met meer tijd voor de huisarts.”

Gaat dit akkoord de samenwerking tussen huisartsen en zorgverzekeraars versterken?

“De eerste gesprekken stemmen nog niet erg vrolijk, maar laten we goed kijken wat er de komende maanden gebeurt als er nieuwe contracten worden getekend. Dan zal blijken waar de zorgverzekeraars staan. Er is veel meer geld beschikbaar dan zij de laatste jaren voor de eerste lijn hebben uitgegeven. Het komende jaar moet er dus meer worden geïnvesteerd in de huisartsenzorg. Er is geen excuus om het niet te doen.”

18.500 euro gemist

Het afgelopen jaar is er 139 miljoen euro op de plank blijven liggen. Omgerekend naar een normprakijk is dat 18.500 euro. De inkoopruimte die de minister via het begrotingskader voor de huisartsgeneeskundige zorg had geboden, werd niet gebruikt voor het maken van afspraken. De LHV en InEen willen dat de inkoopruimte in het komende jaar wordt benut om de knelpunten in de eerste lijn op te lossen.