Verder na corona: LHV-voorzitter Ella Kalsbeek over kansen en knelpunten in de huisartsenzorg

 

De corona-uitbraak heeft alles onder druk gezet. Ook de huisartsenzorg en misschien zelfs de manier waarop huisartsen willen dokteren. Er zijn positieve veranderingen ingezet, tegelijkertijd zijn knelpunten scherper geworden. LHV-voorzitter Ella Kalsbeek over de uitdagingen waar huisartsen en de LHV voor staan. 

De resultaten van het LHV-onderzoek ‘Hoe wil de huisarts dokteren?’ waren net bekend, toen COVID-19 uitbrak en de hele zorgsector op zijn kop zette.  

Tip: lees hier het hele artikel als PDF of download deze onderaan deze tekst.

Heeft de corona-uitbraak invloed op de manier waarop huisartsen willen dokteren?

‘Ik denk dat het meevalt. Uit ons onderzoek bleek dat de meeste huisartsen de wens hebben om met een paar collega’s in een overzichtelijke praktijk samen te werken en een vertrouwensband op te bouwen met patiënten. Die wens zit diep verankerd in de beroepsgroep. Dat willen we als LHV mogelijk blijven maken.’

Waar gaat de LHV zich op richten?

‘De onderwerpen die aandacht vragen, zijn door de corona-uitbraak scherper en soms problematischer geworden. Maar er zijn ook positieve veranderingen in gang gezet. Het is mooi om te zien dat e-health echt is doorgebroken. Beeldbellen en e-consulten horen er voortaan bij in de huisartsenpraktijk. Verder hebben we met alle betrokken partijen, waaronder VWS, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Autoriteit Persoonsgegevens, een oplossing gevonden om patiëntendossiers op de huisartsenposten te kunnen inzien. Het gaat om een tijdelijke oplossing, maar er wordt nu ook nagedacht over een structurele oplossing.

Tegelijkertijd zien we dat de spanningen tussen praktijkhoudende en waarnemend huisartsen zijn toegenomen. Veel waarnemend huisartsen voelen zich in de coronatijd gepasseerd of opzijgezet. Veel huisartsen met een eigen praktijk voelen zich al lang overvraagd. Dat is heel jammer, want juist in crisistijd moet je als huisartsen samen optrekken, ook om te zorgen dat je na de crisis weer samen verder kunt. Dat is een punt waar we met z’n allen mee aan de slag moeten.’

Hoe kan de kloof worden gedicht?

‘Door met elkaar in gesprek te gaan en te zien dat alle huisartsen uiteindelijk hetzelfde doel hebben: goede patiëntenzorg bieden.

De afgelopen jaren is de groep waarnemend huisartsen hard gegroeid. Maar als je hen vraagt hoe ze willen dokteren, zeggen ze dat ze op termijn het liefst een eigen praktijk willen om een persoonlijke band met patiënten op te kunnen bouwen. De meeste waarnemend huisartsen gaan vanaf hun 35ste jaar op zoek naar een passende praktijk. Voor oudere huisartsen geldt over het algemeen dat zij het na hun 60ste wat rustiger aan willen doen. Voor praktijkhoudende en waarnemend huisartsen ligt hier een enorme kans om nader tot elkaar te komen.

Praktijkhoudende huisartsen die straks met pensioen gaan, hebben toch echt een opvolger nodig. Het is verstandig om daar op tijd over na te denken, om ook tijdig te kunnen investeren in de aantrekkelijkheid van een praktijk. Ik zie dat in feite ook als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Als je het er als praktijkhouder bij laat zitten, laat je niet alleen je patiënten zitten, maar ook je collega’s, want die moeten het oplossen.

In Noord-Holland kwam ik laatst een prachtig voorbeeld tegen van een huisarts die na zijn 60ste wat minder wilde gaan werken. Hij adverteerde met de tekst: ‘Welke collega is op zoek naar een goede balans tussen werk en privé?’ Inmiddels heeft hij een dubbele praktijk en drie collega’s die net als hij zelf allemaal drie dagen werken. Van zulke voorbeelden word ik enthousiast.

De LHV kan niets afdwingen, maar we roepen huisartsen wel met klem op om met elkaar in gesprek te gaan. Ga op zoek naar nieuwe vormen van partnerschap en eigenaarschap. Dat ondersteunen we vanuit de LHV ook. Er zijn allerlei varianten mogelijk tussen een maatschap en een dienstbetrekking. Dat kan voor beide partijen aantrekkelijk zijn.’

Heeft de Wet DBA heeft daar ook invloed op? Het recente LHV-webinar over dit onderwerp werd door maar liefst 1.500 huisartsen gevolgd.

‘Die wet is een hot issue. De Wet DBA is ingesteld om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Daar is in de praktijk nooit op gehandhaafd, maar ik verwacht dat dit in de toekomst wel zal gebeuren. Jammer genoeg draalt het kabinet erg met het geven van duidelijkheid. Een wetsvoorstel voor de opvolger van de wet is zojuist ingetrokken. Wat ervoor in de plaats komt, is nog niet erg helder. Maar hoe dan ook zal ‘schijnzelfstandigheid’ worden bestreden.

Dat zal dan ook consequenties hebben voor vaste waarneemcontracten. Ook daarom is het noodzakelijk om als waarnemend en praktijkhoudende huisartsen met elkaar in gesprek te gaan. Als huisartsen er over beginnen zeg ik: denk niet dat dit probleem wel zal overwaaien. Door de corona-uitbraak is er nog meer maatschappelijke druk ontstaan om het enorme aantal zzp’ers in Nederland naar beneden te krijgen.’

Voor de corona-uitbraak streed de LHV voor meer tijd voor de patiënt en meer werkgeluk voor de huisarts. Hoe is het met dat werkgeluk?

‘Voor de corona-uitbraak was de werkdruk in huisartsenpraktijken enorm hoog. Naar die situatie wil niemand terug. Voor het werkgeluk van huisartsen en medewerkers is het belangrijk dat er meer tijd is voor de patiënt.  Op dit moment is het in veel huisartsenpraktijken relatief rustig, al begint het weer wat aan te trekken. Hetzelfde geldt voor de ANW-uren. Die zijn over het algemeen ook rustiger. Ik hoor huisartsen geregeld zeggen dat het weer leuk is om diensten te doen.

We vragen ons wel allemaal af hoe het kan dat patiënten wegblijven. Is dat blijvend? Hebben mensen zich beter leren redden met bijvoorbeeld Thuisarts.nl? Dúrven mensen nog steeds niet naar de huisarts of het ziekenhuis te gaan? Voor mensen met bijvoorbeeld hartklachten, verdachte plekken op de huid of chronische ziekten kan dat zeer negatieve gevolgen hebben.

NIVEL doet daar op dit moment onderzoek naar. Zolang we de uitkomsten daarvan niet weten, blijft het gissen. Maar als hier een positieve ontwikkeling in zit, dan moeten we die vast zien te houden.

Daarbij denk ik ook aan de organisatie van de spoedzorg. De coronacrisis helpt ons daarbij: we kunnen leren van andere organisatievormen die de afgelopen maanden zijn toegepast. Dat biedt mogelijkheden om tot een effectievere organisatie voor de spoedzorg te komen - zeker in de ANW-uren.’

De financiering van de huisartsenzorg bleek in coronatijd een knelpunt.

‘Een van de lessen is inderdaad dat er andere vormen van financiering nodig zijn. De afgelopen maanden hebben we gezien hoe belangrijk het inschrijftarief is voor de beschikbaarheid en continuïteit van huisartsenpraktijken. De reguliere zorg viel immers haast weg. Je wilt de praktijken in stand houden, ook als er ineens coronazorg moet worden ingericht en er een stuk minder reguliere zorg wordt verleend. Daarom is het inschrijftarief per patiënt het afgelopen kwartaal met een tientje verhoogd. Momenteel wordt in kaart gebracht wat de corona-uitbraak precies voor de inkomsten en de kosten van huisartsenpraktijken heeft betekend.’

Hoe zou het dan verder moeten met de financiering?

‘Als je het mij vraagt, is het wenselijk om praktijken toch meer te bekostigen op basis van inschrijftarief en minder op basis van productie. Dat geeft ruimte om goed te kijken wat het meest nuttig is om te doen.’

Zijn er andere zaken die moeten veranderen in de organisatie van de huisartsenzorg?

‘Qua digitalisering zijn we op de goede weg; er zijn in een paar maanden tijd op dat gebied grote stappen gezet. Wat betreft huisvesting zagen we voor de corona-uitbraak al een probleem: in veel steden is het bijna onmogelijk om passende, functionele en betaalbare praktijkruimte te vinden. In de toekomst neemt de ruimtebehoefte alleen maar toe, omdat praktijken meer personeel nodig hebben en ook structureel meer moeten doen aan infectiepreventie, als gevolg van de corona-uitbraak. Als LHV gaan we huisartsen hierbij ondersteunen, door naar andere, flexibele oplossingen te kijken.

Daarnaast zijn er sterke regionale huisartsenorganisaties nodig, die de organisatie van huisartsenpraktijken helpen verbeteren. Bijvoorbeeld door hen te ondersteunen op het gebied van samenwerking met ziekenhuizen en gemeente, ICT en personeel. Een praktijk hoeft dan niet zelf het wiel uit te vinden, maar kan een deel van de taken aan die regionale huisartsenorganisatie delegeren.

Wij hebben daarover ook overleg met NHG en InEen. We hebben samen op een rij gezet wat van een sterke regionale organisatie verwacht mag worden en welke bouwstenen de basis vormen van zo’n organisatie. Een aandachtspunt is dat in de regionale organisaties de betrokkenheid en inspraak van huisartsen goed geregeld moeten zijn, en ook dat waarnemend huisartsen en praktijkhoudende huisartsen evenredig vertegenwoordigd zijn. Dat is nog niet overal het geval.’

Meer betrokkenheid en inspraak, daar werkt de LHV zelf toch ook aan?

‘Daar zijn we inderdaad druk mee bezig. De LHV is een vereniging voor en van álle huisartsen. Alle leden zijn dus volwaardig en gelijkwaardig lid. Wij willen elke huisarts ondersteunen zodat hij bevlogen zijn werk kan doen en voldoende tijd heeft voor de patiënt. Daarnaast willen we dat alle huisartsen binnen de vereniging goed vertegenwoordigd zijn, inspraak hebben en betrokken zijn, zowel landelijk als regionaal. Dat geldt dus ook voor de groep waarnemend huisartsen; zij vormen immers een substantieel deel van onze leden. Bij de ledenraad die we in juni hadden, was de helft van de aanwezigen waarnemend huisarts.

Met het oog hierop heeft de projectgroep Modernisering van de Vereniging (MOVE) verschillende voorstellen gedaan die we de komende tijd gaan implementeren. Het doel is dat alle huisartsen de kans krijgen om in besturen en commissies hun stem te laten horen of op andere manieren inspraak te hebben. Ik wil iedere huisarts oproepen om die kansen ook aan te grijpen.’