Goodwill in de huisartsenzorg: een kort stukje historie

 

Tot 1987 was het gebruikelijk om bij overname van een huisartsenpraktijk goodwill te betalen. Het ministerie van VWS en de LHV hebben in 1985 echter een convenant gesloten om goodwill met ingang van 1 januari 1987 af te schaffen. Dit was mogelijk doordat in 1973 de verplichte collectieve pensioenregeling voor huisartsen in het leven was geroepen.

Wettelijke verankering van deze afspraak vond plaats door in de Ziekenfondswet een bepaling op te nemen dat huisartsen geen goodwill meer mochten bedingen. Ook werd in de contracten tussen ziekenfondsen en huisartsen een verbod tot het ontvangen en betalen van goodwill opgenomen. Dit verbod kon echter omzeild worden door de goodwillbetaling niet op te nemen in de koopovereenkomst en hier een losse overeenkomst voor te sluiten, of te kiezen voor betaling van extra hoge overnamekosten.

Ter compensatie van de huisartsen die bij vestiging in het verleden goodwill hadden betaald, is indertijd het Goodwillfonds opgericht, zodat zij geen financiële nadelen zouden ondervinden van het goodwill verbod. Voor de vertrekkende huisarts was de goodwill immers vaak een belangrijk deel van zijn pensioen. Huisartsen die vóór 1 januari 1987 praktijkeigenaar waren, hebben over het algemeen uit dit fonds een compensatievergoeding gekregen, dit ter compensatie voor de goodwill die ze bij vestiging veelal hadden betaald.  

Terug naar vorige pagina