Welke berekeningsmethoden worden gehanteerd?

 

Wij zien in het werkveld diverse methoden om de te vragen goodwill cijfermatig te onderbouwen. Hoewel de LHV – zoals volgt uit het voorgaande – tegen het vragen van goodwill is, willen we toch inzicht geven in de methodiek die veel wordt gehanteerd, om de methodiek begrijpelijk te maken voor degenen die toch worden geconfronteerd met het fenomeen. Het is in dat geval wel van belang dat u een adviseur inschakelt. Omdat het dan eveneens van belang is dat u begrijpt hoe uw adviseur de goodwill onderbouwt, geven wij u dat inzicht.    

1. Bedrag per patiënt

Een van die methodes is om een bedrag per patiënt te rekenen. Er kan hierbij gedacht worden aan een bedrag per patiënt, waarbij het bedrag per patiënt afhankelijk wordt gemaakt van bijvoorbeeld de volgende elementen:

Objectieve criteria:

  • opbouw en samenstelling omzet (segmenten);
  • aantal patiënten en samenstelling patiëntenpopulatie;
  • leeftijdsopbouw patiëntenpopulatie;
  • werkbelasting huisarts en assistente;
  • wijze van praktijkvoering;
  • aantal consulten en aantal spreekuren;
  • jaaroverzicht loonkosten personeel;
  • contract met de zorgverzekeraar (wel / geen goodwillverbod);
  • investeringen;
  • praktijkpand: ligging, grootte, staat van onderhoud, praktijkinrichting;
  • accreditatie;
  • samenwerking (solist/maatschap/gezondheidscentrum/kostenmaatschap/Hagro).

Subjectieve criteria:

  • marktpositie (geografische ligging van de praktijk);
  • tijdspad van overname/associatie;
  • toekomstige ontwikkelingen;
  • uitstraling van de praktijk;
  • gunfactor overdragende huisarts(en);
  • hoe graag wil de overnemende partij ('droompraktijk' al dan niet).

Omdat er vaak geen rekenkundige onderbouwing wordt gegeven van het bedrag per patiënt, is deze bepaling uiteindelijk meer subjectief dan objectief.

2. Overwinstmethode

De methode die door veel (de meeste) financieel adviseurs die veel actief zijn in de huisartsenzorg wordt gebruikt, is een overwinstmethode. Simpel gesteld komt deze methode erop neer dat er een “overwinst” wordt bepaald. Met overwinst wordt in deze methode bedoeld dat wat de betreffende praktijk meer aan winst genereert dan de gebruikelijke arbeidsbeloning voor de in de praktijk werkzame huisarts(en). Vaak wordt hierbij gesproken van economische meerwaarde, wat overigens ook gewoon goodwill is.

De “overwinst” wordt gekregen door de genormaliseerde winst (dat wil zeggen gecorrigeerd voor eenmalige pieken en dalen in zowel omzet als kosten) over een zekere periode (meestal wordt één, twee of drie jaren gehanteerd) al dan niet op basis van een gewogen gemiddelde, te middelen. Van deze gemiddelde winst wordt dan het door de NZa vastgestelde norminkomen voor een huisarts afgetrokken (€ 140.000 uitgaande van prijspeil 2019 en 143.500 uitgaande van prijspeil 2020).  

Uiteraard moet hierbij rekening gehouden worden met de vraag of er ook sprake is van een normpraktijk en hoeveel dagen er patiëntgebonden werkzaamheden worden verricht (zeg maar het aantal ‘fte’). Verder moeten er nog enkele correctieposten worden toegepast (hierna wordt nog iets dieper ingegaan op de systematiek en worden ook enkele correctieposten genoemd). Hierna is er een basisbedrag “overwinst” bepaald. De onderhandelingen gaan vervolgens vaak over de toe te passen “correctiefactor” waarmee de overwinst al of niet nog wordt vermenigvuldigd. Het bepalen van de correctiefactor is veelal afhankelijk van diverse objectieve en subjectieve factoren, die zich niet laten “vangen” in een rekenkundig model. Het betreft dan de volgende factoren:

Objectieve criteria:

  • opbouw en samenstelling omzet (segmenten);
  • aantal patiënten en samenstelling patiëntenpopulatie;
  • leeftijdsopbouw patiëntenpopulatie;
  • werkbelasting huisarts en assistente;
  • wijze van praktijkvoering;
  • aantal consulten en aantal spreekuren;
  • jaaroverzicht loonkosten personeel;
  • contract met de zorgverzekeraar (wel / geen goodwillverbod);
  • investeringen;
  • praktijkpand: ligging, grootte, staat van onderhoud, praktijkinrichting;
  • accreditatie;
  • samenwerking (solist/maatschap/gezondheidscentrum/kostenmaatschap/Hagro).

Subjectieve criteria:

  • marktpositie (geografische ligging van de praktijk);
  • tijdspad van overname/associatie;
  • toekomstige ontwikkelingen;
  • uitstraling van de praktijk;
  • gunfactor overdragende huisarts(en);
  • hoe graag wil de overnemende partij ('droompraktijk' al dan niet).

Nog iets dieper ingaand op de overwinst: deze wordt als volgt bepaald:

  • er wordt over het algemeen naar de gerealiseerde resultaten over het afgelopen jaar of de afgelopen twee of drie jaar van de praktijk gekeken;
  • vanuit de gerealiseerde resultaten, wordt het genormaliseerde resultaat van de praktijk berekend. Normalisatie houdt in dat de bijzondere/incidentele baten en lasten worden gecorrigeerd op de gerealiseerde resultaten;
  • omdat de arbeidsbeloning van de huisarts-praktijkhouder wordt gebaseerd op een NZa norm, waarbij in het bepalen van die norm geen rekening is gehouden met de vergoeding voor ANW diensten (huisartsenpost), wordt de vergoeding voor de ANW diensten eveneens van de resultaten afgetrokken;
  • vervolgens worden de arbeidscomponenten van ingehuurde huisartsen (waarnemers) en huisartsen in loondienst opgeteld bij de van de resultaten (HidHa’s en kosten waarnemers);
  • indien er een huisarts in opleiding in de praktijk werkt, wordt de vergoeding hiervoor eveneens van de resultaten afgetrokken;
  • van de aldus berekende genormaliseerde resultaten, wordt – indien gekeken wordt naar de jaarcijfers over meerdere jaren - het (gewogen) gemiddelde genomen;
  • van dit berekende bedrag wordt de arbeidsbeloning van de huisarts conform de Nza – norm afgetrokken. Deze arbeidsbeloning wordt voor de betreffende praktijk berekend door het daadwerkelijke aantal patiënten te delen door het aantal patiënten van een normpraktijk (2020: 2095 patiënten) en dit vervolgens te vermenigvuldigen met de door de Nza vastgestelde arbeidsbeloning voor huisartsen. Veelal wordt dan de door de NZa vastgestelde arbeidsbeloning voor het voorafgaande jaar genomen (€ 140.000 volgens prijspeil 2019 en € 143.500 voor prijspeil 2020). Wanneer de arbeidsinzet significant afwijkt van de norminzet, wordt in de voormelde berekening van de aftrek arbeidsbeloning soms, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de betreffende praktijk, de daadwerkelijke inzet in Fte genomen;
  • het bedrag dat aldus overblijft is de overwinst;
  • deze overwinst wordt vermenigvuldigd met een factor die in de praktijk – zo hebben wij vanuit het veld vernomen – vaak ligt tussen de 0,5 en 2.

Omdat de criteria om te komen tot de correctiefactor allen geen 'harde' criteria zijn, is het resultaat van de goodwillonderhandelingen erg afhankelijk van in de kern drie factoren: het inhoudelijke onderhandelingsproces (de kwaliteit van de adviseur), de gunfactor van de overdragende partij en de mate waarin de overnemende partij de praktijk wil overnemen/wil associëren. In dat kader is het van belang een goede taakverdeling af te spreken met de adviseur. Uitgangspunt hierbij is dat de relatie tussen de overnemende partij (de waarnemer) en de overdragende partij (de praktijkhoudende huisarts/maatschap) goed blijft: scheiding inhoud en relatie.

Er zijn ook methoden van goodwillberekening die binnen het MKB worden gebruikt om tot een bepaling van de goodwill te komen, zoals bepaling van goodwill op basis van intrinsieke waarde, rentabiliteitswaarde of de discounted cashflow methode (DCF). Deze methoden worden binnen de huisartsenzorg echter niet of nauwelijks gebruikt.

Terug naar vorige pagina