5 vragen over het coronatientje

 
5 vragen over het coronatientje
In april 2020 hebben LHV, InEen en VPHuisartsen met zorgverzekeraars en de NZa afspraken gemaakt over het zogenaamde ‘coronatientje’. Hoe is dit tientje berekend? Komt er een nieuw ‘tientje’? Hieronder vertellen we u daarover meer.

1. Waarvoor was het ‘coronatientje’ nou precies bedoeld?

Het tientje bestaat uit 2 delen:

  • € 7,75 is compensatie voor de teruggelopen omzet;
  • € 2,25 is compensatie voor de extra kosten die huisartsenpraktijken hebben moeten maken.

De bedragen zijn aan het begin van de coronacrisis berekend op basis van eerste informatie van huisartsenpraktijken. Daarbij is afgesproken om te volgen wat de omzet- en kosteneffecten werkelijk zijn. De NZa heeft de bedragen vervolgens vastgelegd in de beleidsregel voor huisartsenzorg.

Dat het modulebedrag in het tweede kwartaal kon worden gedeclareerd, betekent niet dat het tientje alleen voor de maanden april, mei en juni was bedoeld; in het eerste kwartaal liep de omzet immers al terug en werden er al extra kosten gemaakt. Met zorgverzekeraars is afgesproken dat het tientje bedoeld is voor de periode maart tot en met december 2020.

Uitgangspunt van deze afspraken was dat huisartsen moeten kunnen zeggen dat hun omzet onberoerd is door de effecten van deze crisis. Uit onze maandelijkse monitoring blijkt dat op landelijk niveau de omzetderving nog altijd lager is dan de compensatie. Per praktijk is dat wel wisselend. Afgesproken is, op wens van de huisartsenorganisaties, om niet per individuele praktijk maar macro af te rekenen om een waarschijnlijk grote administratieve last te voorkomen.

2. Waarom is het voor iedere huisartsenpraktijk 10,- euro per patiënt?

Zowel huisartsenorganisaties als zorgverzekeraars vonden het belangrijk om huisartsenpraktijken zo snel mogelijk financiële zekerheid te bieden. Door de regeling zo eenvoudig mogelijk te houden (geen contract nodig, geen afspraak per praktijk, geen bonnetjes inleveren, etc.) konden huisartsepraktijken al snel declareren. Daardoor konden huisartsen zich vooral op de zorginhoudelijke en organisatorische zaken richten.

Ook hoopten we zo snel mogelijk te voorkomen dat praktijken zich genoodzaakt zagen om kosten te besparen; bijvoorbeeld door (arbeids-)overeenkomsten op te zeggen. Om die redenen is op nadrukkelijk verzoek van de huisartsenorganisaties afgezien van een individuele regeling per huisartsenpraktijk. De effecten van de compensatie voor het deel omzetderving (€7,75 per ingeschreven patiënt) zal dan ook op macroniveau worden beoordeeld en mogelijk bijgesteld. Dat kan zowel naar boven als naar beneden. Op de compensatie voor de kostenderving (€2,25) wordt niet na gecalculeerd.

3. Hoe groot zijn de omzeteffecten voor huisartsenpraktijken?

Uiteindelijk worden de landelijke Vektis-cijfers gebruikt om de daadwerkelijke omzeteffecten op macroniveau te berekenen. Definitieve Vektis-cijfers over 2020 zijn halverwege 2021 beschikbaar.

Omdat wij sneller en meer gedetailleerde cijfers wilden, hebben we Calculus benaderd. Huisartsenpraktijken die gebruik maken van VIPLive, konden Calculus toestemming geven om een deel van de declaratiecijfers anoniem met ons te delen. Daardoor hebben we cijfers van circa 1350 huisartsenpraktijken met circa 5 miljoen patiënten gekregen.

De Calculus-cijfers geven een goed beeld hoe de omzeteffecten zich in de tijd en in de verschillende regio’s hebben ontwikkeld. In de animatie kunt u dat zien.

Tot en met november 2020 bedroeg de daling van de omzet gemiddeld circa € 5,09 per patiënt. Daarbij hebben we een aantal correcties toegepast; onder andere om de cijfers over 2019 en 2020 vergelijkbaar te maken. Landelijk gemiddeld lijkt de € 7,75 vooralsnog dus voldoende om de gedaalde omzet te compenseren.

Omdat we de omzeteffecten van de tweede en mogelijk derde golf goed willen blijven volgen, vragen we iedereen die met VIPLive werkt om Calculus wederom toestemming te geven declaratiegegevens anoniem met ons te delen.

4. Hoeveel extra kosten hebben huisartsenpraktijken moeten maken?

Huisartsenpraktijken hebben in 2020 meer kosten moeten maken door corona. Hiervoor heeft u ter compensatie €2,25 per patiënt kunnen declareren. Nu de coronacrisis veel langer aanhoudt dan was verwacht, hebben huisartsenpraktijken mogelijk meer kosten moeten maken dan vooraf was berekend. Zo is er ook veel uitval van huisartsen en van medewerkers, waardoor huisartsenpraktijken extra kosten moeten maken. Goede cijfers over de kosten ontbreken nog, dus we proberen deze nog beter in beeld te krijgen. Mogelijk gaan we daarvoor uw hulp vragen. Zorgverzekeraars hebben de zekerheid gegeven dat over de gecompenseerde meerkosten geen nacalculatie plaatsvindt.

5. Komt er een nieuw coronatientje in 2021?

Dat is nu nog niet duidelijk. Zoals we hierboven hebben uitgelegd, moeten we eerst beter zicht hebben op de werkelijke omzeteffecten en op de extra praktijkkosten. In 2020 worden er echter geen nieuwe afspraken meer gemaakt.

Nu de corona-pandemie ook in 2021 zal voortduren, zullen we mogelijk opnieuw met zorgverzekeraars afspraken moeten maken over financiële steun voor de huisartsenzorg. Die zullen dan naar verwachting moeten passen bij de afspraken die zorgverzekeraars in andere sectoren van de zorg maken. In andere sectoren zijn geen generieke afspraken gemaakt, maar afspraken per zorgaanbieder.

Concluderend kunnen we samen met de zorgverzekeraars zeggen dat het coronatientje ervoor heeft gezorgd dat huisartsen zonder extra financiële zorgen hun praktijk hebben kunnen draaien en continuïteit van de zorg gewaarborgd is. LHV, InEen en VPHuisartsen zullen gebruik maken van de nieuwe inzichten die we met deze oplossing hebben gekregen in de gesprekken over de toekomst van de financiering van huisartsen.