Spring naar content

Goodwill: een korte geschiedenis

Tot 1987 was het gebruikelijk om bij overname van een huisartsenpraktijk goodwill te betalen. Het ministerie van VWS en de LHV hebben in 1985 echter een convenant gesloten om goodwill met ingang van 1 januari 1987 af te schaffen. Dit was mogelijk doordat in 1973 de verplichte collectieve pensioenregeling voor huisartsen in het leven was geroepen. Hieronder vindt u een overzicht in de tijdlijn.

Tot 1987

Goodwill was gebruikelijk om te vragen en dit was ook toegestaan

1985

LHV en het Ministerie van VWS sluiten een convenant om goodwill af te schaffen

1 januari 1987

Goodwill wordt officieel afgeschaft. In de Ziekenfondswet wordt hierover een bepaling opgenomen

1987

Oprichting goodwillfonds

1 januari 2006

Ziekenfondswet wordt afgeschaft en de Zorgverzekeringswet gaat in. Het wettelijk verbod op goodwill wordt hiermee weer opgeheven. Sindsdien mag er weer goodwill worden gevraagd bij overname van een praktijk

2007

LHV spreekt zich uit tegen het vragen en betalen van goodwill

2016

LHV-standpunt goodwill wordt opnieuw bekrachtigd door de LHV-ledenraad

Veelgestelde vragen

Er is geen wettelijk verbod op het vragen of betalen van goodwill. Dit is bij het opheffen van de Ziekenfondswet en de invoering van de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 afgeschaft.

In 2017 zijn Kamervragen gesteld over goodwill. Toenmalig minister van VWS, Edith Schippers, liet in een brief aan de Tweede Kamer weten dat de overheid niet kan ingrijpen in de markt. Dit zou een aantasting van het eigendomsrecht betekenen. Wel gaf de minister het volgende aan:

“Ik deel dus uw mening dat goodwillbetalingen ongewenst zijn en ik zie dat deze mening zeer breed gedeeld wordt in politiek, door zorgverzekeraars en in de beroepsgroep. En toch gebeurt het. Omdat het uiteindelijk aan de individuele stoppende huisarts is om te bepalen of hij of zij goodwill vraagt, roep ik dan ook elke huisarts op om af te zien van het vragen van een vergoeding voor goodwill en zich daartegen in voorkomende gevallen ook uit te spreken.”

(Bron: brief 26 januari 2017 van Minister Schippers aan SGZ met kenmerk 1083938-160406-MC. Deze brief is in afschrift naar de Tweede Kamer gestuurd)

Voor het bepalen van ons standpunt hebben we de volgende voors en tegens afgewogen:

Argumenten voor goodwill

Vertrekkende huisarts:

  • Extra inkomsten.

Gevestigde huisartsen:

  • Stimulans om extra investeringen in de praktijk te blijven doen. Deze kunnen te zijner tijd worden verzilverd in de vorm van goodwill.

(Commerciële) partijen:

  • Vliegende start mogelijk.
  • In tegenstelling tot de opening van een (nieuwe) praktijk loopt men geen risico’s en hoeft men zelf geen extra tijd te investeren. Dit is vanuit commercieel oogpunt slim.
  • Kan zich vestigen in voorkeursgebied.

Huisartsenzorg:

  • Stimulans om te blijven investeren.

Argumenten tegen goodwill

Vertrekkende huisarts:

  • Het wordt moelijker om een (niet-commerciële) opvolger te vinden. De verkopende huisarts heeft hierdoor minder of geen invloed op de gewenst praktijkvoering en de samenwerking met de huisartsen in de regio na verkoop.

Gevestigde huisartsen:

  • Grote kans dat (commerciële) partijen zich vestigen waarmee de samenwerking moeizaam is.
  • Grote kans dat de NZa haar toezichtfunctie verscherpt, regels opstelt en de pensioenvoorziening in het norminkomen verlaagt. Zeker als goodwill onderdeel van het praktijkkostenpakket wordt.

Startende huisartsen:

  • Belemmering voor de overname van een praktijk.
  • Extra investering nodig naast overnamekosten.
  • Onzekerheid of betaalde goodwill bij toekomstige verkoop terugkomt.
  • Structureel lager inkomen afschrijving van de goodwillsom plus mogelijke rentelasten van de lening.

(Commerciële) partijen:

  • Extra investering nodig naast overnamekosten.

Patiënten:

  • Praktijk wordt mogelijk niet overgenomen.
  • Praktijk wordt mogelijk overgenomen door een (commerciële) partij waarmee de klik mist c.q. die niet de gewenste huisartsenzorg levert.
  • Huisarts heeft na betaling goodwill geen of minder investeringsruimte, die ingezet kan worden voor de kwaliteit van de zorg.
  • De toename van het aantal grote praktijken kan leiden tot minder keuzevrijheid en onpersoonlijke zorg.

Huisartsenzorg:

  • Goodwill kan leiden tot complexe opvolgingskwesties binnen samenwerkingsverbanden.
  • De ‘markt’ kan in toenemende mate worden beheerst door grote (commerciële) huisartspraktijken.
  • Commerciële huisartspraktijken komen in tegenstelling tot ‘gewone’ huisartspraktijken niet vrij na 20-30 jaar.
  • Door toename van het aantal grote (commerciële) huisartspraktijken zal de onafhankelijkheid van de huisartsenzorg steeds meer verloren gaan.
  • De herintroductie van goodwill kan voor de NZa reden zijn haar toezichtfunctie te verscherpen, regels op te stellen en de pensioenvoorziening in het norminkomen te verlagen, zeker als de goodwill onderdeel van het praktijkkostenpakket wordt.

Wij zien in het werkveld diverse methoden om de te vragen goodwill cijfermatig te onderbouwen. Hoewel de LHV – zoals volgt uit het voorgaande – tegen het vragen van goodwill is, willen we toch inzicht geven in de methodiek die veel wordt gehanteerd, om de methodiek begrijpelijk te maken voor degenen die toch worden geconfronteerd met het fenomeen. Het is in dat geval wel van belang dat u een adviseur inschakelt. Omdat het dan eveneens van belang is dat u begrijpt hoe uw adviseur de goodwill onderbouwt, geven wij u dat inzicht.   

1. Bedrag per patiënt
Een van die methodes is om een bedrag per patiënt te rekenen. Er kan hierbij gedacht worden aan een bedrag per patiënt, waarbij het bedrag per patiënt afhankelijk wordt gemaakt van bijvoorbeeld de volgende elementen:

Objectieve criteria:

  • opbouw en samenstelling omzet (segmenten);
  • aantal patiënten en samenstelling patiëntenpopulatie;
  • leeftijdsopbouw patiëntenpopulatie;
  • werkbelasting huisarts en assistente;
  • wijze van praktijkvoering;
  • aantal consulten en aantal spreekuren;
  • jaaroverzicht loonkosten personeel;
  • contract met de zorgverzekeraar (wel/ geen goodwillverbod);
  • investeringen;
  • praktijkpand: ligging, grootte, staat van onderhoud, praktijkinrichting;
  • accreditatie;
  • samenwerking (solist/maatschap/gezondheidscentrum/kostenmaatschap/Hagro).

Subjectieve criteria:

  • marktpositie (geografische ligging van de praktijk);
  • tijdspad van overname/associatie;
  • toekomstige ontwikkelingen;
  • uitstraling van de praktijk;
  • gunfactor overdragende huisarts(en);
  • hoe graag wil de overnemende partij (‘droompraktijk’ al dan niet).

Omdat er vaak geen rekenkundige onderbouwing wordt gegeven van het bedrag per patiënt, is deze bepaling uiteindelijk meer subjectief dan objectief.

2. Overwinstmethode
De methode die door veel (de meeste) financieel adviseurs die veel actief zijn in de huisartsenzorg wordt gebruikt, is een overwinstmethode. Simpel gesteld komt deze methode erop neer dat er een “overwinst” wordt bepaald. Met overwinst wordt in deze methode bedoeld dat wat de betreffende praktijk meer aan winst genereert dan de gebruikelijke arbeidsbeloning voor de in de praktijk werkzame huisarts(en). Vaak wordt hierbij gesproken van economische meerwaarde, wat overigens ook gewoon goodwill is.

De “overwinst” wordt gekregen door de genormaliseerde winst (dat wil zeggen gecorrigeerd voor eenmalige pieken en dalen in zowel omzet als kosten) over een zekere periode (meestal wordt één, twee of drie jaren gehanteerd) al dan niet op basis van een gewogen gemiddelde, te middelen. Van deze gemiddelde winst wordt dan het door de NZa vastgestelde norminkomen voor een huisarts afgetrokken (€ 140.000 uitgaande van prijspeil 2019 en 143.500 uitgaande van prijspeil 2020). 

Uiteraard moet hierbij rekening gehouden worden met de vraag of er ook sprake is van een normpraktijk en hoeveel dagen er patiëntgebonden werkzaamheden worden verricht (zeg maar het aantal ‘fte’). Verder moeten er nog enkele correctieposten worden toegepast (hierna wordt nog iets dieper ingegaan op de systematiek en worden ook enkele correctieposten genoemd). Hierna is er een basisbedrag “overwinst” bepaald. De onderhandelingen gaan vervolgens vaak over de toe te passen “correctiefactor” waarmee de overwinst al of niet nog wordt vermenigvuldigd. Het bepalen van de correctiefactor is veelal afhankelijk van diverse objectieve en subjectieve factoren, die zich niet laten “vangen” in een rekenkundig model. Het betreft dan de volgende factoren:

Objectieve criteria:

  • opbouw en samenstelling omzet (segmenten);
  • aantal patiënten en samenstelling patiëntenpopulatie;
  • leeftijdsopbouw patiëntenpopulatie;
  • werkbelasting huisarts en assistente;
  • wijze van praktijkvoering;
  • aantal consulten en aantal spreekuren;
  • jaaroverzicht loonkosten personeel;
  • contract met de zorgverzekeraar (wel/ geen goodwillverbod);
  • investeringen;
  • praktijkpand: ligging, grootte, staat van onderhoud, praktijkinrichting;
  • accreditatie;
  • samenwerking (solist/maatschap/gezondheidscentrum/kostenmaatschap/Hagro).

Subjectieve criteria:

  • marktpositie (geografische ligging van de praktijk);
  • tijdspad van overname/associatie;
  • toekomstige ontwikkelingen;
  • uitstraling van de praktijk;
  • gunfactor overdragende huisarts(en);
  • hoe graag wil de overnemende partij (‘droompraktijk’ al dan niet).

Nog iets dieper ingaand op de overwinst: deze wordt als volgt bepaald:

  • er wordt over het algemeen naar de gerealiseerde resultaten over het afgelopen jaar of de afgelopen twee of drie jaar van de praktijk gekeken;
  • vanuit de gerealiseerde resultaten, wordt het genormaliseerde resultaat van de praktijk berekend. Normalisatie houdt in dat de bijzondere/incidentele baten en lasten worden gecorrigeerd op de gerealiseerde resultaten;
  • omdat de arbeidsbeloning van de huisarts-praktijkhouder wordt gebaseerd op een NZa norm, waarbij in het bepalen van die norm geen rekening is gehouden met de vergoeding voor ANW-diensten (huisartsenpost), wordt de vergoeding voor de ANW-diensten eveneens van de resultaten afgetrokken;
  • vervolgens worden de arbeidscomponenten van ingehuurde huisartsen (waarnemers) en huisartsen in loondienst opgeteld bij de van de resultaten (Hidha’s en kosten waarnemers);
  • indien er een huisarts in opleiding in de praktijk werkt, wordt de vergoeding hiervoor eveneens van de resultaten afgetrokken;
  • van de aldus berekende genormaliseerde resultaten, wordt – indien gekeken wordt naar de jaarcijfers over meerdere jaren – het (gewogen) gemiddelde genomen;
  • van dit berekende bedrag wordt de arbeidsbeloning van de huisarts conform de Nza – norm afgetrokken. Deze arbeidsbeloning wordt voor de betreffende praktijk berekend door het daadwerkelijke aantal patiënten te delen door het aantal patiënten van een normpraktijk (2020: 2095 patiënten) en dit vervolgens te vermenigvuldigen met de door de Nza vastgestelde arbeidsbeloning voor huisartsen. Veelal wordt dan de door de NZa vastgestelde arbeidsbeloning voor het voorafgaande jaar genomen (€ 140.000 volgens prijspeil 2019 en € 143.500 voor prijspeil 2020). Wanneer de arbeidsinzet significant afwijkt van de norminzet, wordt in de voormelde berekening van de aftrek arbeidsbeloning soms, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de betreffende praktijk, de daadwerkelijke inzet in Fte genomen;
  • het bedrag dat aldus overblijft is de overwinst;
  • deze overwinst wordt vermenigvuldigd met een factor die in de praktijk – zo hebben wij vanuit het veld vernomen – vaak ligt tussen de 0,5 en 2.

Omdat de criteria om te komen tot de correctiefactor allen geen ‘harde’ criteria zijn, is het resultaat van de goodwillonderhandelingen erg afhankelijk van in de kern drie factoren: het inhoudelijke onderhandelingsproces (de kwaliteit van de adviseur), de gunfactor van de overdragende partij en de mate waarin de overnemende partij de praktijk wil overnemen/wil associëren. In dat kader is het van belang een goede taakverdeling af te spreken met de adviseur. Uitgangspunt hierbij is dat de relatie tussen de overnemende partij (de waarnemer) en de overdragende partij (de praktijkhoudende huisarts/maatschap) goed blijft: scheiding inhoud en relatie.

Er zijn ook methoden van goodwillberekening die binnen het MKB worden gebruikt om tot een bepaling van de goodwill te komen, zoals bepaling van goodwill op basis van intrinsieke waarde, rentabiliteitswaarde of de discounted cashflow methode (DCF). Deze methoden worden binnen de huisartsenzorg echter niet of nauwelijks gebruikt.