Voor een gezonde huisartsenzorg

Veelgestelde vragen

 

VAR

  • De transitieperiode die eerder gold tot 1 mei 2017 is verlengd tot 1 januari 2018. Tijdens deze transitieperiode geldt de wet DBA wel, maar wordt deze in principe niet gehandhaafd (behalve wanneer er sprake is van kwaadwillende overtreding van de wet). Dit geeft alle partijen meer tijd om te wennen aan de nieuwe wet en de nieuwe werkwijze.

    Het ministerie geeft aan dat in de periode tot 1 januari 2018 de begrippen ‘vervanging’ en ‘gezag’ worden “herijkt”. Twee zeer belangrijke elementen in de wet DBA. Het is onduidelijk wat de gevolgen hiervan zijn voor de wet DBA en of de wet daadwerkelijk stand zal houden. Via onze website www.lhv.nl houden wij u op de hoogte.

  • De transitieperiode die eerder gold tot 1 mei 2017 is verlengd tot 1 januari 2018. Tijdens deze transitieperiode geldt de wet DBA wel, maar wordt deze in principe niet gehandhaafd (behalve wanneer er sprake is van kwaadwillende overtreding van de wet). Dit geeft alle partijen meer tijd om te wennen aan de nieuwe wet en de nieuwe werkwijze. Omdat de tranisitieperiode primair is bedoeld als wenperiode, adviseren wij u gebruik te blijven maken van onze modelovereenkomsten en de contractgenerator.

    In de LHV-modelovereenkomsten staan de belangrijkste zaken op een rij. Bovendien bevatten de waarneemovereenkomsten allerlei bepalingen in het kader van de Wkkgz. Zoals: welke klachtenregeling geldt, die van de praktijk of de waarnemer, etcetera. Ook voorkomt het een hoop discussie als afspraken gewoon goed en duidelijk op papier zijn gezet. Dus ook los van de Wet DBA zijn er goede redenen om te (blijven) werken met onze modelovereenkomsten en de contractgenerator.

  • Nee, de ingevulde overeenkomst is voor uw eigen administratie. De Belastingdienst kan deze bij u opvragen in geval van een controle. Daarom is het belangrijk dat de overeenkomst recht doet aan de reële situatie.

  • Wij kunnen ons goed voorstellen dat met name voor wat betreft de incidentele werkzaamheden waarnemer en praktijkhouder het een enorme rompslomp vinden om de overeenkomst te ondertekenen, per post te versturen en ook nog in de gaten te houden of de overeenkomst wel ondertekend terugkomt. Vooral als u veel incidentele werkzaamheden verricht. Als u dat niet wilt, kunt u het ook als volgt aanpakken:

    • Genereer een contract incidentele waarneming met de contractengenerator (dan legt u de tarieven en belangrijke voorwaarden vast, dit kost u maximaal een paar minuten);
    • Stuur het contract per e-mail naar de ontvanger met de vraag: wilt u bevestigen dat de inhoud hiervan akkoord is?
    • Bewaar dit mailverkeer.

    Voor wat betreft de duurwaarnemingen adviseren wij u om de overeenkomst toch te ondertekenen. Waarnemer en praktijkhouder bewaren beiden een exemplaar in hun administratie, u hoeft dit niet op te sturen naar de belastingdienst.

  • Neem dan contact op via jz@lhv.nl. Onze juristen kijken dan of het mogelijk is een contract te maken dat aansluit bij uw situatie, op basis van de goedgekeurde modelcontracten.

  • Als u wél vooraf al (mondeling) afspreekt dat u zult werken volgens de standaardovereenkomst, kunt u het contract achteraf opmaken en ondertekenen. Het is dan wel zaak om dat ook daadwerkelijk te doen en daar niet lang mee te wachten.   

  • Voor het antwoord op deze vraag, verwijzen wij u naar de toelichting op de overeenkomst van duurwaarneming, zie de toelichting op artikel 5.10 en 5.11.

  • De huidige wetswijziging verandert niets aan de criteria voor ondernemerschap voor de inkomstenbelasting. Alles blijft wat dat betreft bij het oude.

    Het 70 procent-criterium is nergens vastgelegd in de wet. Ook de eis dat er sprake moet zijn van een bepaald aantal opdrachtgevers staat niet in de wet. Wél zijn het factoren die de Belastingdienst meeweegt bij de beoordeling of er sprake is van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting. Er zijn echter meer factoren die de belastingdienst mee weegt. Meer informatie vindt u op belastingdienst.nl.

  • Nee.

    Het aantal opdrachtgevers speelt voor de belastingdienst alleen een rol voor wat betreft de bepaling of een waarnemer ondernemer is voor de inkomstenbelasting. De criteria voor de inkomstenbelasting die gelden voor de waarnemer zijn voor u als opdrachtgever niet van belang.

    Voor uw plicht tot het betalen van loonbelasting en de plicht tot afdracht van sociale premies is enkel van belang dat er geen sprake mag zijn van een dienstverband. Indien u als opdrachtgever gebruik maakt van de modelovereenkomst en in de praktijk niet afwijkt van wat u in die overeenkomst hebt afgesproken, is er geen sprake van een dienstverband.

  • Nee.

    Het 70 procent-criterium weegt voor de waarnemer mee bij de bepaling of de waarnemer ondernemer is voor de inkomstenbelasting. De criteria voor de inkomstenbelasting die gelden voor de waarnemer zijn voor u als opdrachtgever niet van belang.

    Voor uw plicht tot het betalen van loonbelasting en de plicht tot afdracht van sociale premies is enkel van belang dat er geen sprake mag zijn van een dienstverband. Indien u als opdrachtgever gebruik maakt van de modelovereenkomst en in de praktijk niet afwijkt van wat u in die overeenkomst hebt afgesproken, is er geen sprake van een dienstverband.

  • Nee, de contractengenerator genereert nog géén contract voor de ANW-diensten die een waarnemer verricht voor een andere huisarts (de '(ver)koop van een dienst').

    Een dergelijk contract hebben wij ter goedkeuring voorgelegd aan de Belastingdienst, maar dit is nog niet goedgekeurd. Het contract stellen wij ruim voor het einde van de transitieperiode (voor 1 januari 2018) ter beschikking en nemen we op in de contractengenerator. Indien de Belastingdienst instemt met ons voorstel, dan kunt u in de toekomst bij het (ver)kopen van ANW-diensten volstaan met het uitwisselen van een korte e-mail waarin u tarief en tijdstip vastlegt en verwijst naar de voorwaarden. Hiermee voorkomen wij dat u per dienst een overeenkomst moet ondertekenen.

    Tot 1 januari 2018 (de transitieperiode) stelt de Belastingdienst zich in de handhaving van de nieuwe regels terughoudend op. Het heeft dus géén vervelende fiscale consequenties als u gedurende de transitieperiode bij het kopen of verkopen van diensten blijft handelen zoals u nu ook doet (bijvoorbeeld: door afspraken over tarief en tijdstip van de dienst vast te leggen in een e-mail). De VAR-verklaring hoeft u na 1 mei 2016 overigens niet meer uit te wisselen.

  • Nee, de contractengenerator genereert géén contract voor losse waarneemdagen waarvan de data nog niet bekend zijn.

    U kunt met behulp van deze contractengenerator dus géén contract sluiten voor bijvoorbeeld tien waarneemdagen gedurende een jaar, terwijl u nog niet weet op welke dagen er waargenomen gaat worden. Mogelijk wordt een dergelijke variant in de toekomst opgenomen in de contractengenerator. Tot die tijd adviseren wij u om  losse contracten te sluiten voor iedere waarneming.  Of het modelcontract voor incidentele waarneming te gebruiken en de dagen waarvan de data al wel bekend zijn te “clusteren”.

  • Ja, de contractengenerator kan een contract opmaken voor de duur van de ziektevervanging, u kunt dit bij de vragen die in de contractengenerator worden gesteld aangeven.

    In alle andere gevallen waarbij de exacte einddatum niet bekend is, kunt u met de contractengenerator géén contract aanmaken. Dit komt doordat de Belastingdienst de optie om overeenkomsten voor onbepaalde tijd aan te kunnen gaan, niet heeft goedgekeurd. U kunt in dit soort gevallen wel een einddatum opnemen en indien nodig het contract verlengen. Indien dit u geen goede oplossing biedt, kunt u contact opnemen met de afdeling Juridische Zaken van de LHV via jz@lhv.nl.

Cao Hidha

Cao Huisartsenzorg

  • Tot eind 2015 keerde SSFH de stagevergoeding rechtstreeks aan de stagiair uit om de huisarts zoveel mogelijk werk uit handen te nemen. Helaas staat de Belastingdienst dit niet toe omdat de inhoudingsplicht bij de stagebieder rust en niet bij SSFH. Dit heeft gevolgen voor zowel de stagiair als de stagebieder. De praktijk waar de stagiair stage loopt of heeft gelopen, moet per 1 januari 2016 de stagevergoeding direct uitbetalen aan de stagiair. Dit gaat niet meer via SSFH.

    Lees meer over deze wijziging of bekijk de vragen en antwoorden die de SSFH hierover heeft verzameld.

  • Ja, de toelage triagist blijft altijd geldig. Bekijk hieronder de toelichting.

    De interpretatie van artikel 4.5 lid b is dat de zinsnede bij "blijvend goed functioneren" betekent dat de triagist na een periode van twee jaar goed functioneren voor de tweede maal een 'vaste toelage' van 2 procent - bovenop de eerdere 2 procent - op het salaris ontvangt. Deze 'vaste toelage' is vergelijkbaar met een extra (halve) periodiek en maakt dus onderdeel uit van het alsdan te ontvangen salaris; DUS Het criterium voor het verkrijgen van de toeslag van de tweede 2% is: blijvend goed functioneren.
     
    Los van de opvatting dat de triagetoeslag voor de triagisten functioneert als een soort periodiek, is het intrekken van deze extra 2 procent toeslag bij het verlies van de vereiste registratie eigenlijk dubbelop. De triagist zal vanaf dat moment immers de werkzaamheden als triagist niet meer kunnen uitoefenen - waarna de werkgever andere maatregelen moet nemen dan het intrekken van een toelage, aangezien de werknemer niet meer inzetbaar is als triagist. Ten aanzien van het functioneren dient de procedure te worden gevolgd van artikel 4.6 lid b van de cao,  en meer in het algemeen arbeidsrechtelijk dat de werkgever de werknemer de reële kans moet bieden het functioneren op peil te houden c.q. te verbeteren (onder andere door middel van scholing). De werkgever is bovendien conform artikel 6.5 verplicht de kosten van de herregistratie te vergoeden. M.a.w. het kwijtraken van de registratie mag eigenlijk niet voorkomen en moet echt de ‘eigen schuld ‘ zijn van de werknemer, en dan nog is de vraag of de ingrijpende maatregel van het afnemen van loon (de toeslag) aan de orde kan zijn. Het afnemen van de toeslag is in ieder geval niet in de cao geregeld.
     
    Ten aanzien van triagisten die werkzaam zijn in een huisartsenpraktijk en op basis van artikel 4.5 lid c de toeslag ontvangen, is in dat geval de extra 2 procent toeslag na 2 jaar toegekend op basis van 'goed functioneren' in een andere functie dan triagist. De Cao Huisartsenzorg kent wel een beoordelingssystematiek waarin een periodieke verhoging achterwege kan blijven als de werknemer in het jaarlijkse geen neutrale of positieve beoordeling ontvangt, maar niet het afnemen van een periodiek bij een 'slechte beoordeling' dan wel het niet blijk geven van 'blijvend goed functioneren'.

  • In hoofdstuk 8, artikel 8.1 staat beschreven dat bij een arbeidsduur van 38 uur per week de werknemer recht heeft op 152 wettelijke vakantie-uren en 38 bovenwettelijke vakantie-uren per jaar.
    Bij een 38-urige werkweek is het recht op vakantie dus 190 uur.

    Een jaar telt 52 weken x 38 uur= 1.976 uur. Per meeruur wordt 1/1.976 x 190= 0,096 uur vakantie-uur opgebouwd.

  • Nee, dit is afhankelijk van de functie-eisen die u stelt aan uw POH en aan wat de POH daadwerkelijk in de praktijk aan werkzaamheden verricht. Het komt voor dat werkgevers, door krapte op de arbeidsmarkt, een hogere waardering toekennen dan volgens het functiewaarderingssysteem gerechtvaardigd is. Het staat een werkgever vrij om dit te doen maar houdt u hierbij wel rekening met het feit dat dit als onredelijk gezien kan worden door het overige personeel dat wel conform FWHZ beloond wordt.

    U bepaalt als werkgever de inhoud van de functie. De eisen die u stelt in de overeengekomen functie bepalen de salarisschaal (het functieniveau).  In de handleiding FWHZ vindt u de meest voorkomende functies en functieniveaus in de huisartsenzorg.

    In de afgelopen jaren heeft de functie POH zich op veel plaatsen ontwikkeld tot een meer complexe functie dan vroeger. Daarom is de oude referentiefunctie (schaal 6, POH-S )uit FWHZ gehaald en is een nieuwe referentiefunctie schaal 7 in FWHZ toegevoegd.

    Dat betekent niet dat nu automatisch voor elke POH-S schaal 7 geldt. Het betekent wel dat u als werkgever na moet gaan of uw POH voldoet aan de eisen van de nieuwe referentiefunctie. Voldoet  uw POH aan het nieuwe profiel dan moet u schaal 7 toe gaan passen. Als de functie nog steeds aansluit op de oude referentiefunctiebeschrijving POH schaal 6 dan kunt u schaal 6 handhaven.

    NB: werknemers kunnen bezwaar maken tegen de indeling of een herindeling vragen. Probeer bezwaarprocedures te voorkomen en leg goed uit waarom de medewerker wel of niet in de referentiefunctie-schaal komt.  U kunt dit doen door met uw POH de beschrijving in schaal 6 en de beschrijving in schaal 7 te bespreken. Eventueel kunt u een opleidingsplan opstellen om uw POH door te laten groeien op termijn.

    De LHV werkt samen met het functiewaarderingsbureau voor de zorg in Nederland, FWG Advies te Utrecht. Voor vragen over FWHZ of over functie-indelingen kunt u contact opnemen met  servicepunt@fwg.nl

    Graag verwijzen we u naar het handboek functiewaardering voor meer informatie over functiewaardering. Staat een functie of functieniveau niet in FWHZ dan kunt u die laten indelen door een functiewaarderingsdeskundige van FWG. Daar zijn kosten aan verbonden. 

  • Er zijn veel vragen over de inschaling van de POH-S conform de nieuwe cao-afspraken. Daarom hebben cao-partijen voor u op een rij gezet hoe het werkt.

    In bijlage vindt u de uitgebreide informatie

  • Er is nog geen sprake van een landelijke uitvoering van een regeling met uniforme polisvoorwaarden. Deze regeling is een voorwaarde voor uitvoering. Tot op heden wordt daarom geen uitvoering gegeven aan deze afspraak.

  • Bij arbeidsongeschikte werknemers die gedeeltelijk hun eigen werk kunnen verrichten, kunnen bij het opnemen van de vakantie de vakantiedagen voor de gehele arbeidsduur, en niet alleen voor de uren dat er daadwerkelijk arbeid wordt verricht, in mindering gebracht worden.

    De verplichting van de werkgever om medewerkers in de gelegenheid te stellen om hun wettelijk vakantiedagen op te nemen, geldt onder de nieuwe wetgeving ook voor zieke werknemers. Doordat de zieke werknemer per 1 januari 2012 volledig verlof opbouwt gedurende de ziekteperiode, is het logisch dat als de medewerker wordt vrijgesteld van zijn re-integratieverplichtingen hij daarvoor vakantieverlof dient op te nemen.

    Voor zieke medewerkers is het opnemen van vakantie van belang. Immers vakantie heeft ook voor hen een herstelfunctie. Zieke werknemers moeten re-integratie-inspanningen verrichten. Voor deze re-integrerende medewerkers heeft vakantie hetzelfde doel als voor gezonde werknemers, namelijk: herstellen, c.q. uitrusten van verplichtingen voortvloeiende uit de dienstbetrekking, ook al zijn dat andere verplichtingen dan het verrichten van de eigen arbeid. Als de zieke medewerker tijdelijk vrijgesteld wil worden van zijn verplichting tot re-integratie dient hij vakantie op te nemen net als de (gezonde) medewerker een dagje vrij wil.
     
    Wanneer de werknemer echter volledig ziek is en deze kan niet genieten van zijn vakantie of neemt geen vakantie op, dan worden deze uren niet afgetrokken van het vakantiesaldo. 

  • Nee, in de volgende gevallen hebben de uitkeringen geen invloed op de vrije ruimte

    • De uitkering bij een 12,5 jarig jubileum is een bruto-uitkering van 1/24e jaarsalaris en heeft zodoende geen invloed op de vrije ruimte.
    • De uitkering bij 25 dienstjaren is een bruto 1/12e jaarsalaris die netto uitbetaald wordt. Deze door de belastingdienst vrijgesteld en heeft zodoende geen invloed op de vrije ruimte.
  • In maart 2015 wordt de POH-S ingedeeld in schaal 7. Dit is een horizontale overstap en dus geen promotie. Het maximum in schaal 6 (trede 18) komt overeen met trede 18 in schaal 7.
    Vanaf 1 maart 2015 is er weer sprake van een potentiele groei van de POH-S. Dit betekent dat op de 1e dag van de maand waarin de POH-S in dienst is getreden (onderdeel c) of op 1 januari 2016 (artikel d) er recht is op een tredeverhoging wanneer er een neutrale of positieve beoordeling is of wanneer er geen beoordeling heeft plaatsgevonden.

    Voorbeeld;
    POH-S is op 1 mei 2014 in dienst getreden en is ingedeeld in schaal 6, trede 18. Zij functioneert goed en heeft een fulltime dienstverband (38 uur per week).

    Indeling salaris
    Per 1 maart 2015 wordt zij ingedeeld in schaal 7, trede 18. Er is sprake van een horizontale overstap. Haar salaris blijft € 3.224,-
    Per 1 mei 2015 ontvangt zij een tredeverhoging en wordt zij ingedeeld in schaal 7, perodiek 19. Haar salaris wordt € 3.304,-
    Per 1 januari 2016 is er een salarisverhoging (conform de cao HZ), haar salaris wordt € 3.324,-
    Per 1 april 2016 is er een salarisverhoging (conform de cao HZ) en is haar salaris € 3.361,-
    Per 1 mei 2016 heeft zij recht op een periodiek en wordt haar trede 20, haar salaris is € 3.442,-

  • De triagetoeslag hoeft inderdaad niet meer betaald te worden wanneer er een verhoging plaatsvindt naar schaal 6. U mag hier ten gunste van werknemer van afwijken.

  • Vanaf 2007 is in de cao opgenomen dat medewerkers een bijdrage van 0,8 procent levensloopvergoeding ontvangen (bijlage 7, 7.1 van de cao). Vanaf maart 2015 is dit reeds bestaande recht op een levensloopbijdrage opgenomen in de salaristabellen. Daarnaast is er een salarisverhoging van 1,5 procen afgesproken. De salaristabellen uit de vorige cao zijn daarom eerst verhoogd met 0,8 en daarna met 1,5 procent. 

  • De levensloopregeling is een vorm van loon en hoort door de werkgever aan de werknemer te worden betaald. Gebeurt dit niet, dan heeft de werknemer een vordering jegens de werkgever. Deze vordering verjaart na 5 jaar. De werknemer kan dus de niet-betaalde bijdrage van de afgelopen 5 jaar vorderen. Tevens kan de werknemer aanspraak maken op de wettelijke verhoging van 50 procent, omdat het loon niet tijdig is voldaan en deze vertraging aan de werkgever is toe te rekenen.
    Het is dus aan te raden om zo spoedig mogelijk een nabetaling te doen over de laatste 5 jaar.

  • Het is aan u als werkgever of aan uw accountant om voor de betreffende situatie de meest fiscaal vriendelijke manier te kiezen. U dient wel op voorhand te beslissen of u goed te laten adviseren door uw accountant voor welke loonbestanddelen u de vakbondscontributie wilt toepassen. Gedurende het jaar corrigeren mag immers niet in de Werkkostenregeling.

    De verwerking technische mogelijkheden zijn:

    1. Volledig toewijzen aan de vrije ruimte waardoor medewerker € 160,- netto krijgt en de werkgever dit ook als extra kosten heeft (ervan uitgaand dat er budget is*)
    2. Gelijke uitwerking als oude regeling benoemd in de huidige Cao: Volledig toewijzen aan de vrije ruimte (ervan uitgaand dat er budget is*) en € 100,00 inhouden op het brutoloon waardoor medewerker het voordeel heeft van de loonheffing die niet verschuldigd is over € 100 brutoloon (voordeel van ongeveer 42 procent gemiddeld per medewerker)
    3. Bedrag volledig of deels bruteren waardoor de medewerker netto het vastgestelde bedrag (€ 60 of € 160) krijgt, de werkgever heeft als extra kosten de omrekening naar het brutoloon + werkgeverslasten (+/- 50 procent erboven op)

    * Als er geen budget in de vrije ruimte meer is komt de verschuldigde eindheffing van 80 procent voor rekening van de werkgever.

  • Wanneer uw doktersassistent in de dagpraktijk een door Ineen erkend diploma Triagist heeft behaald dan heeft uw medewerker in de maand volgend op het behalen van dit diploma een maandelijkse vaste toelage van 2 procent van het overeengekomen salaris per maand conform de FWHZ-tabel. Gelet op het minimumkarakter van de cao is deze toelage beperkt tot de Triagist, ingeschaald in FWHZ schaal 4 of 5. Als de Triagist blijk geeft van blijvend goed functioneren dan wordt 2 jaar na het behalen van het door Ineen erkende diploma, de maandelijkse toelage verhoogd tot 4 procent.

  • De eindejaarsuitkering bedraagt 6 procent over het verdiende jaarsalaris.

    Het jaarsalaris is de som van 12 keer het basissalaris, vermeerderd met ANW-toeslag, toelage gediplomeerde triagisten en het gemiddelde van de vergoeding voor de overuren en meeruren over de voorafgaande 12 maanden te vermeerderen met 8 procent vakantietoeslag.

  • Met ingang van 1 januari 2012 bouwen (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers de wettelijke vakantiedagen volledig op. Daarnaast geldt er per 1 januari 2012 voor de wettelijke vakantiedagen een vervaltermijn van 6 maanden na het opbouwjaar. Dit betekent dat de wettelijke vakantiedagen (welke vanaf 1 januari zijn opgebouwd) voor alle werknemers per 1 juli van het daaropvolgende jaar vervallen tenzij de werknemer redelijkerwijs niet in staat was de vakantiedagen op te nemen.

    Voor de bovenwettelijke vakantiedagen blijft een verjaringstermijn van 5 jaar bestaan.

  • Bij (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid worden verlofdagen volledig opgenomen en wordt geen percentage toegepast van betermelding. Een medewerker bouwt dus volledig op tijdens ziekte en neemt ook volledig vakantie op tijdens ziekte.

  • Een WIA-uitslag van het UWV betekent niet automatisch dat de arbeidsovereenkomst met uw medewerker eindigt. Als uw werknemer langer dan 2 jaar ziek is, houdt de verplichte loondoorbetaling op. Ook het ontslagverbod houdt op en u mag uw werknemer ontslaan. Wanneer u afscheid wilt nemen van deze medewerker dan adviseren wij u om contact op te nemen met een jurist. U dient bij het UWV toestemming te vragen om uw medewerker te ontslaan na 2 jaar ziekte. Doe dit meteen nadat de WIA-uitslag binnen is en laat u hierbij adviseren door een jurist.

  • Het advies is om een opleidingsovereenkomst te sluiten met uw medewerker en vooraf duidelijke afspraken te maken over de functie van deze medewerker na het behalen van het diploma.

    U bepaalt zelf als werkgever of er een (gedeeltelijke) vacature is in uw praktijk voor de functie van praktijkondersteuner. U dient met de mogelijkheid rekening te houden dat uw medewerkster niet slaagt voor de opleiding. Uw doktersassistent kan na het behalen van haar diploma volledig blijven werken als doktersassistent. In dit geval blijft haar salaris en functie ongewijzigd. Een tweede mogelijkheid is dat uw doktersassistent, na het behalen van haar diploma, gedeeltelijk werkt als praktijkondersteuner. In dit geval geeft u haar een nieuwe arbeidsovereenkomst naast haar bestaande overeenkomst als doktersassistent. Dit betekent dat zij dan dus twee contracten heeft met een verschil in functie en de daarbij behorende arbeidsduur en salaris. Een derde mogelijkheid is dat u haar functie volledig wijzigt in praktijkondersteuner en haar een nieuwe arbeidsovereenkomst aanbiedt.

  • Alle werknemers in de huisartsenzorg hebben recht op scholing met uitzondering van directieleden, huisartsen, huisartsen in opleiding en stagiairs.

  • Volgens de Cao Huisartsenzorg hebben uw werknemers jaarlijks recht op 20 uur geaccrediteerde of anderszins erkende scholing ongeacht de omvang van het dienstverband.

  • U bepaalt in overleg met de werknemer, ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging welke scholing verplicht is voor de uitoefening van de functie. Verplichte scholing vindt plaats onder werktijd of wordt gecompenseerd in geld of vrije tijd. Voor de opleidingstijd wordt het gebruikelijke uurloon aan de werknemer betaald.

    De 20 uur kan ook deels besteed worden aan niet-verplichte loopbaangerichte scholing. De kosten zijn dan nog steeds voor u als werkgever, maar de scholing vindt in eigen tijd van de werknemer plaats.

  • In de Cao Huisartsenzorg zijn geen aanvullende afspraken rondom pauzes opgenomen. Daarom geldt hier de Arbeidstijdenwet.

    Bij personen ouder dan 18 jaar geldt in de arbeidstijdenwet:
    Indien meer dan 5,5 uur per dienst gewerkt wordt heeft deze persoon recht op minimaal 30 minuten pauze of 2 keer 15 minuten.
    De Cao Huisartsenzorg/LHV geeft geen bijzondere aanknopingspunten, behalve dan dat alleen in positieve zin voor werknemer kan worden afgeweken.

    In de praktijk is het meestal zo, dat iemand die 8 uur werkt per dienst 8,5 uur aanwezig is. In dat extra half uur wordt dan gelunchd. Dat is voor eigen rekening. En er wordt 1 keer  ’s-ochtends en 1 keer  ’s-middags koffie- en theepauze van 15 minuten genomen voor rekening werkgever.

    De arbeids- rust en pauze tijden dienen schriftelijk te zijn neergelegd zodat ieder ervan kan kennis nemen.

    In de zorg geldt ook nog aanwezigheidsdienst c.q. bereikbaarheidsdienst. Dan dient werknemer op de werkplek te blijven. Dit geldt als werktijd.

    Gewoonterecht

    Indien de huisarts de pauzes in overeenstemming wil brengen met bovenstaande (wettelijk minimum) dient dit uiteraard in goed overleg met werknemers besproken te worden. Ingeval van zwaar psychisch of lichamelijk werk is het goed werkgeverschap dat de pauzes wat ruimer gesteld worden. De nieuwe regeling dient minimaal een maand van te voren bekend te zijn voorafgaand aan inwerkingtreding.

    Doorbetaling tijdens pauzes

    In de Arbeidstijdenwet staat niets over doorbetalen tijdens de pauzes. Pauzes maken geen deel uit van werktijd. De werkgever hoeft de pauze niet door te betalen. U kunt ook kijken of er iets is opgenomen in de arbeidsovereenkomsten van uw medewerkers.
    De volledige tekst vindt u op de website van de rijksoverheid. In de cao zijn geen afspraken gemaakt over het doorbetalen tijdens pauzes waardoor geldt dat pauzes geen deel uitmaken van de werktijd en derhalve onbetaald zijn.

  • Het pensioengevend salaris is de som van twaalf maal het basissalaris, vermeerderd met ANW-toeslag, toelage gediplomeerde triage-assistenten en het gemiddelde van de vergoeding voor overuren en meeruren over de voorafgaande 12 maanden te vermeerderen met 8 procent vakantiegeld en de eindejaarsuitkering (6 procent in 2016).

  • De verdeling bedraagt 50 procent - 50 procent.

  • Proeftijd

    Met ingang 1 januari 2015 is het niet mogelijk om een proeftijd op te nemen in tijdelijke arbeidscontracten voor zes maanden of korter.

    Aanzegtermijn

    Bij afloop van tijdelijke contracten van zes maanden of langer moet een werkgever uiterlijk één maand voor het aflopen van de arbeidsovereenkomst de werknemer schriftelijk informeren of de arbeidsovereenkomst zal worden verlengd en zo ja onder welke voorwaarden. Indien aan deze verplichting niet wordt voldaan, moet aan de werknemer een boete worden betaald.
    De aanzegplicht is van toepassing op alle arbeidscontracten die eindigen op 1 februari 2015 of daarna.

  • 3-2-6 ketenregeling

    De nieuwe ketenregeling is van toepassing op alle arbeidsovereenkomsten die ingaan op of na 1 juli 2015. Arbeidsovereenkomsten die voor 1 juli 2015 zijn gesloten tellen enkel mee bij de berekening van de nieuwe ketenregeling indien na 1 juli 2015 een nieuwe arbeidsovereenkomst wordt gesloten.

    Ontslag

    Werkgevers mogen niet meer zelf kiezen of ze werknemers via de kantonrechter of via het UWV ontslaan. Ontslag om bedrijfseconomische reden of na twee jaar ziekte moet via het UWV en ontslag om persoonlijke redenen (zoals disfunctioneren) moet door de kantonrechter worden beoordeeld. In beide gevallen staat hoger beroep open.

    Bedenktermijn

    De werknemer kan zijn schriftelijke (onvoorwaardelijk gegeven) instemming met ontslag binnen 14 dagen schriftelijk herroepen. Als de bedenktermijn niet is opgenomen in de vaststellingsovereenkomst, wordt de bedenktijd verlengd naar drie weken. Dit geldt ook als de werknemer instemt met opzegging en de werkgever de werknemer niet binnen twee werkdagen schriftelijk heeft gewezen op de bedenktermijn.

  • De verplichtstelling voor huisartsen om werknemers aan te melden bij het pensioenfonds geldt vanaf mei 1997. Voor die tijd was u dus niet verplicht om uw medewerkers bij het pensioenfonds aan te melden.

Goodwill

  • Al enige jaren hoort LHV- Wadi het geluid dat goodwill weer terug is. Gezien de resultaten van de waarneemmonitor 2014, waarin waarnemend huisartsen zich duidelijk uitspreken tegen goodwill, geven wij graag meer informatie over goodwill aan waarnemers in het algemeen en toekomstige praktijkhouders in het bijzonder. 

  • Goodwill is jarenlang een fenomeen geweest in de huisartsenzorg, omdat er geen adequate pensioenvoorziening bestond. Deze goodwill hadden huisartsen die met pensioen gingen nodig om in hun ‘oude dag’ te kunnen voorzien. Omdat het betalen van goodwill bij overname van een praktijk als ongewenste ontwikkeling werd gezien, is in 1987 een fonds opgericht, naar aanleiding van afspraken die gemaakt zijn tussen de LHV  en de overheid in een breder gesloten convenant in 1985. Huisartsen die ooit goodwill hadden betaald konden aanspraak op het fonds maken om deze terug te krijgen. Huisartsen die aanspraak maakten op dit fonds - dit waren overigens de meeste huisartsen - mochten geen goodwill meer vragen bij overname van de praktijk (zij hadden immers geld uit het fonds ontvangen). Indien zij dit wel deden werden zij geroyeerd door het ziekenfonds. De goodwill is daarmee eenmalig afgekocht. Dit was mogelijk doordat in 1973 de verplichte collectieve pensioenregeling voor huisartsen in het leven was geroepen, daarmee was het vragen van goodwill bij overname van de praktijk niet langer nodig. De uitbetaling uit het Goodwillfonds liep tot en met 2002.

    Alleen voor die huisartsen die aanspraak maakten op dit fonds gold een verbod voor het vragen van goodwill bij overname van de praktijk. De fiscale behandeling van de uitkeringen uit het Goodwillfonds was vastgelegd in een beleidsregel behorende bij de Wet inkomstenbelasting 2001, welke op 14 december 2006 is komen te vervallen. Dit in verband met het oprichten van de nieuwe zorgverzekeringswet. Sindsdien is er geen verbod meer op het vragen van goodwill. (bron Kamervragen aan minister Schippers/ VWS april 2014).

  • Nee, sinds de invoering van de zorgverzekeringswet in 2006, bestaan er geen regels of richtlijnen meer over goodwill. De LHV noemt het vragen van goodwill onwenselijk aangezien het geld niet in de zorg gestoken kan worden. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor apotheekhoudende huisartsen.

    Minister Schippers keurt het vragen van goodwill af, maar ziet geen mogelijkheid tot een verbod. (bron Kamerbrief december 2015)

  • Als een vertrekkende huisarts duizenden euro’s vraagt voor het overnemen van inventaris, dan is dat geen goodwill. Dat zijn overnamekosten, ongeacht of nu de boekwaarde of de gebruikswaarde wordt berekend. Er is evenmin sprake van goodwill als de aantredende huisarts fors meebetaalt aan investeringen die zijn voorganger in de praktijk heeft gedaan, ook al zijn deze boekhoudkundig misschien allang afgeschreven – men spreekt dan van een ‘management fee’. In dit geval kun je terugleiden waar de extra kosten vandaan komen, zoals geïnvesteerde uren door de praktijkhouder.

    Goodwill, daarentegen, is de vergoeding voor wat niet tastbaar is. Voor de één draait het om de toegevoegde waarde van een praktijk, die de eigenaar méér oplevert dan het norminkomen. Voor de ander is het – ruimer – de waarde van de praktijk op de markt van vraag en aanbod.

  • Geld ontvangen om een praktijk over te nemen is het omgekeerde van goodwill betalen. Het gebeurt wel op kleine schaal. Je kunt hierbij denken aan de praktijken op de waddeneilanden, die ’s winters te klein zijn en ’s zomers erg groot. Soms betaalt de zorgverzekeraar dan een plek extra om adequate zorg te waarborgen.

  • Goodwill wordt niet geschaard onder inventaris. Goodwill kan bovenop een vergoeding voor inventaris worden gevraagd. 

  • Nee, er wordt niet altijd goodwill gevraagd.

  • Het geld dat wordt besteed aan goodwill kan niet in de zorg voor patiënten gestoken worden. Een groep huisartsen vindt dit een onwenselijke situatie. Daarnaast verbieden sommige zorgverzekeraars het vragen én betalen van goodwill uitdrukkelijk in hun zorgovereenkomst, zoals VGZ en de Friesland. 

  • Een praktijkhouder kan extra geld willen voor het overdragen van een goedlopende praktijk. Om tot een goedlopende praktijk te komen, heeft de praktijkhouder soms (veel) tijd en geld geïnvesteerd.

  • Nee. Wel is het zo dat het goodwillverbod nog steeds geldt voor degenen die een uitkering hebben gekregen vanuit het Goodwill Fonds. Zij hebben zich immers richting het fonds contractueel verbonden om géén goodwill te vragen. Vragen zij toch goodwill, dan plegen zij wanprestatie richting het fonds. Het fonds heeft nog steeds de mogelijkheid om de goodwillvragers juridisch aan te spreken en het eerder uitgekeerde bedrag terug te vorderen, met verhoging van een boete van 10 procent en de wettelijke rente over het uitgekeerde.

  • Vraag hier bij een praktijkovername op tijd naar bij de overdragende huisarts.

  • De bedragen die omgaan bij goodwill zijn erg verschillend. Dit is afhankelijk van de regio, de gunfactor, kwaliteit en organisatievorm van de praktijk, en de financiële situatie en wensen van de vertrekkende huisarts. Uit een artikel in Medisch Contact (april 2014) blijkt dat de bedragen voor goodwill sterk variëren.

  • De LHV doet een moreel appel op zijn leden om geen goodwill te vragen. LHV-Wadi onderschrijft deze oproep. Bekijk het standpunt Goodwill van LHV-Wadi.

  • Goodwill kan het lastiger maken om de financiering rond te krijgen. De mate waarin zal afhangen van de hoogte van het bedrag aan goodwill en de totale hoogte van het te financieren bedrag. Bovendien kan het - bij het aangaan van grote financiële verplichtingen - moeilijker worden om privé-investeringen aan te gaan, zoals het kopen van een huis.

    • De financiering van goodwill moeten binnen een bepaalde termijn worden afgelost bij de bank. Dit verschilt per bank, maar gemiddeld gaat het om 5 jaar.
    • Volgens de fiscale wetgeving moet je goodwill afschrijven in minimaal 10 jaar. Vroeger mocht de afschrijving van goodwill in vijf jaar gedaan worden. Afschrijving is het aftrekken van een evenredig deel van de goodwillsom van het (fiscaal) inkomen van een jaar. Dat levert een fiscaal voordeel op dat op kan lopen tot 50 procent van het afgetrokken bedrag. Nu de aftrek uitgesmeerd moet worden over 10 jaar in plaats van 5, duurt het dus twee maal zo lang voordat je dit fiscale voordeel gerealiseerd hebt.
  • Goodwill moet je in 10 jaar afschrijven (dat is een fiscaal voorschrift, zo staat het in de wet), wat inderdaad betekent dat je je fiscale voordeel (dat zal globaal 50 procent zijn) ook pas in 10 jaar terug hebt (willekeurige afschrijving is niet van toepassing op goodwill). Normaal zou je dus van je aflossing ongeveer de helft uit je fiscale teruggaaf kunnen voldoen, door deze opzet wordt het misschien maar 25 procent en komt 75 procent uit je netto-privé.

    Hoe korter lopend de aflossingsverplichting, hoe groter de druk op privé (maar ook: hoe minder rente je over de looptijd betaalt, dus dat is een voordeel). Na de aflosperiode stijgt je netto-besteedbaar inkomen dan behoorlijk omdat je geen aflossingsverplichting meer hebt, maar nog wel een paar jaar je fiscale voordeel van de afschrijving op de goodwill. Ten aanzien van goodwill in het algemeen zou het zo moeten zijn, dat die een verband vertoont met de winstgevendheid van de praktijk. Dus meer goodwill zou meer resultaat moeten betekenen en dus een terug te verdienen kostenpost.

  • Bereid je goed voor op wat voor praktijk je wilt overnemen, informeer in de omgeving en bij je accountant. Neem daarbij mee:

    Praktijk

    • Wat is de (algemene) vraag naar de huisartspraktijk (hoe loopt de praktijk: in en uitschrijvingen?)
    • Hoe is het samenwerkingsverband met leveranciers, andere huisartsen?
    • Is de praktijk geaccrediteerd? Wordt er actief aan de kwaliteit gewerkt?
    • Waar zijn de praktijkkosten op gebaseerd; is er bijvoorbeeld sprake van dure computers, een verouderd pand, achterstallige administratie etc.
    • Moet je je inkopen in de maatschap
    • Verschil per organisatievorm van huisartspraktijken (solo/ duo/ verschillende soorten maatschappen/ HOED/ gezondheidscentra.)
    • Wat is de kwaliteit van het personeel. Scholing personeel.

    Reële winstverwachting

    Een belangrijke factor is de reële winstverwachting. Dit is de verwachte omzet minus de praktijkgebonden kosten.

    • De verwachte omzet kan worden bepaald aan de hand van de omzet die in het voorafgaande jaar is gerealiseerd. Het is mogelijk dat in uitzonderlijke situaties de omzet van het voorgaande jaar niet representatief kan worden geacht voor het komende jaar. In dat geval kan de gemiddelde winst van de afgelopen drie jaar worden gehanteerd.
    • Onder praktijkgebonden kosten vallen alle kosten die samenhangen met het voeren van een praktijk. Individuele kosten (financiering, goodwill, verzekeringen voor aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid, tijdschriften lidmaatschap beroepsvereniging, reiskosten woon-werkverkeer) vallen hier niet onder. Ook de loonkosten van medewerkers vallen onder de praktijkgebonden kosten, behalve als een  praktijkmedewerker zelf de praktijk overneemt. In dat geval vervallen de kosten van de praktijkmedewerker en worden de personeelskosten verminderd omdat deze praktijkmedewerker (daarna praktijkhouder) vervolgens het praktijkresultaat geniet. De praktijkgebonden kosten kunnen worden aangepast aan wijzigende omstandigheden. Het betreft dan wel uitsluitend zaken waarop de verkoper zelf invloed kan uitoefenen. Indien bijvoorbeeld de verkoper de praktijk aan huis heeft en geen huisvestingskosten ten laste van de praktijk opvoert, is het redelijk dat de koper bij het bepalen van de goodwill een standaardbedrag bij de kosten optelt. Echter, als de koper onnodig uitzonderlijk hoge kosten moet maken voor huisvesting is het niet redelijk om hiervoor de praktijkkosten te verhogen.

    De marktomstandigheden en brancheontwikkelingen

    • Het betalen van goodwill is een onzekere financiële investering vanwege terugkerende veranderingen in de financiering van de huisartsenzorg.

    De locatie

    • Wat zijn de lopende contracten bv t.a.v. huur.
    • Welke contracten verlopen binnenkort?
    • Hoe hoog zijn de kosten, zijn deze nog reëel?
    • De uitstraling van de praktijk en het investeringsniveau. Het maakt uit of er de afgelopen jaren veel of weinig (noodzakelijke) investeringen zijn gedaan. Is er achterstallig onderhoud in of niet?

    De concurrentiepositie

    De mate van de afhankelijkheid van de ondernemer

    • In hoeverre is de waarde van de praktijk persoonsgebonden? Bijvoorbeeld wanneer het gaat om een zeer bekwame huisarts die alleen maar zeer tevreden patiënten heeft.

    Het hebben en/of verkrijgen van contracten met zorgverzekeraars.

    • Gaan de zorgverzekeraars (met name de preferente) akkoord met (verkapte) goodwill ? Hoe zijn de contracten?  Verlopen deze contracten binnenkort, zijn ze overdraagbaar?
  • Informatie over gebruikelijke bedragen is er niet. Informeer goed om je heen, in de regio, bij de banken en je accountant/boekhouder en natuurlijk de LHV. Lees meer over praktijkstart

  • Goodwill moet je volgens de belastingwetgeving in minimaal 10 jaar afschrijven. Vroeger was dit 5 jaar. Dit betekent dat het belastingvoordeel over een langere periode fiscaal moet worden terugverdiend.

  • De bedragen die omgaan bij goodwill verschillen sterk. Dit is afhankelijk van de regio, een grote gunfactor, kwaliteit en organisatievorm van de praktijk, de financiële situatie en wensen van de vertrekkende huisarts. Ook de financierbaarheid van de goodwill kan een rol spelen. Er is geen sluitende methode om goodwill te berekenen.

  • Sinds 2006 is goodwill niet meer verboden. Minister Schippers keurt het vragen van goodwill af, maar ziet geen mogelijkheid tot een verbod. (bron Kamerbrief december 2015).

  • Dit verschilt per verzekeraar. Raadpleeg uw verzekeraar om zeker te weten hoe uw preferente verzekeraar tegen goodwill aankijkt

  • Nee, in principe niet, omdat het niet verboden is. Wel kan het Goodwill Fonds controleren of zij die een uitkering hebben gekregen zich aan het contract houden wat ze met het fonds hebben gesloten. Zij hebben zich immers richting het fonds contractueel verbonden om géén goodwill te vragen. Vragen zij toch goodwill, dan plegen zij wanprestatie richting het fonds. Het fonds heeft nog steeds de mogelijkheid om de goodwillvragers juridisch aan te spreken en het eerder uitgekeerde bedrag terug te vorderen, met verhoging van een boete van 10 procent en de wettelijke rente over het uitgekeerde.

  • Het goodwillverbod geldt nog steeds voor degenen die een uitkering hebben gekregen vanuit het Goodwill Fonds. Zij hebben zich immers richting het fonds contractueel verbonden om géén goodwill te vragen. Vragen zij toch goodwill, dan plegen zij wanprestatie richting het fonds. Het fonds heeft nog steeds de mogelijkheid om de goodwillvragers juridisch aan te spreken en het eerder uitgekeerde bedrag terug te vorderen, met verhoging van een boete van 10 procent en de wettelijke rente over het uitgekeerde.

Inloggen

Juridische zaken

  • Om uw belangen goed en adequaat te kunnen behartigen, moeten wij tegenstrijdige belangen tussen onze leden zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Dit betekent dat wij niet kunnen adviseren in situaties waarbij de belangen van twee leden met elkaar (kunnen) conflicteren. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij geschillen binnen de Hagro, geschillen binnen de maatschap en dissociaties. Als er sprake is van een dergelijk geschil kunt u wél samen een juridische vraag aan ons voorleggen. 

    Als er sprake is van een (dreigend) conflicterend belang, kunt u zich tot uw rechtsbijstandsverzekeraar wenden of kunnen wij u doorverwijzen naar andere juridische specialisten binnen ons netwerk. Voor deze dienstverlening zult u zelf de kosten moeten dragen.

  • Nee, de LHV kan niet optreden als uw juridisch vertegenwoordiger in juridische kwesties. We zien dat de meeste van onze leden een rechtsbijstandsverzekering hebben, waarin  wordt voorzien in rechtshulp van de rechtsbijstandsverzekeraar.

    Als u daar behoefte aan heeft, kunnen wij u doorverwijzen naar een voor uw juridische kwestie goed gekwalificeerde jurist of advocaat, waarbij de aanvullende kosten voor uw eigen rekening zijn. Als juridische vertegenwoordiging (nog) niet noodzakelijk is, kunnen wij u wel voorzien van de nodige juridische input om zelf een brief op te stellen.

  • Bij de afdeling Juridische Zaken kunnen alle leden van de LHV terecht voor deskundig, kosteloos en praktisch advies bij diverse juridische vraagstukken.

    Zo kan de LHV u helpen met:

    • vraagstukken rondom uw praktijkvoering, zoals de keuze van de juiste rechtsvorm
    • de juridische afwikkeling van een praktijkoverdracht, dissociatie etc.
    • de beoordeling van huurovereenkomsten, intentieverklaringen en andersoortige overeenkomsten
    • modelovereenkomsten over verscheidene onderwerpen
    • het adviseren over mededingingsvraagstukken
    • het adviseren rondom arbeidsrechtelijke vragen, bijvoorbeeld over tussentijdse beëindiging van arbeidsovereenkomsten, ziekte of zwangerschap en freelance overeenkomsten.

    Eerstelijns advisering

    U kunt bij ons terecht voor kosteloos eerstelijns juridisch advies over alle juridische vragen waar u in uw werk als huisarts mee te maken krijgt. U kunt daarbij denken aan vragen rondom de overeenkomsten met zorgverzekeraars, vragen betreffende de relatie patiënt-huisarts, vragen over overeenkomsten en reglementen, arbeidsrechtelijke vragen, vragen over de juridische verhouding met de overheid (bestuursrecht), vragen over privacy, vragen over materiële controles etc.  

    Wat houdt eerstelijns advies in? Juridische advisering waarvan wij inschatten dat we die binnen een tijdsbestek van ongeveer tien uren kunnen afronden en waarvoor wij de benodigde juridische kennis in huis hebben.

    Wanneer verwijzen wij u door? Wij verwijzen u door wanneer u vragen hebt over zeer specifieke juridische materie (bijvoorbeeld fiscale vragen) of als wij inschatten dat de adviesvraag niet binnen tien uur te behandelen is. Wij helpen u dan verder door te verwijzen naar juridische, goed-gekwalificeerde specialisten binnen ons netwerk. De kosten voor verdere advisering zijn dan voor uw eigen rekening. Vanzelfsprekend proberen wij direct bij u aan te geven of uw vraag binnen het eerstelijns advies valt of niet.

Juridische vragen over problemen met een leverancier

Lidmaatschap en contributie

  • Uw Bruto Beroepsinkomen (BBI) is het totale bedrag dat u in een jaar declareert voor alle door of namens u verrichte medische werkzaamheden. Subsidies en toeslagen, inclusief de vergoeding voor praktijkondersteuners, behoren ook tot het bruto beroepsinkomen.

    De volgende kosten kunt u in mindering brengen op uw BBI: de brutoloonkosten van een praktijkondersteuner, het brutosalaris van een huisarts in dienstverband en de vergoedingen gedeclareerd door een waarnemend huisarts.

    Overige kosten die u maakt, verlagen uw BBI niet. Voor apotheekhoudende huisartsen geldt dat ook de bruto-omzet van de apotheek verminderd met de inkoopwaarde van de medicijnen tot het BBI wordt gerekend.

  • Tussentijdse wijzigingen in een jaar worden het betreffende jaar doorgevoerd met terugwerkende kracht van maximaal 1 jaar.

  • De LHV is er voor iedereen, maar onze ervaring is dat er door de vrijgevestigde huisartsen vaker een beroep op de LHV wordt gedaan. Ook in de productontwikkeling is het zo dat er meer producten voor de gevestigde huisarts zijn en worden ontwikkeld dan voor waarnemers.

  • Al onze data bestanden zijn adequaat beveiligd. Dit is ook door onze accountant PWC gecontroleerd en in orde bevonden.

LSP

  • Het LSP biedt u een betrouwbare manier om een selectie van patiëntgegevens uit de huisartsdossiers op de huisartsenpost beschikbaar te maken. Ook kunt u op de huisartsenpost en in de huisartsenpraktijk zien welke medicatie is verstrekt door de op het LSP aangesloten apotheken. Dat komt de kwaliteit van de geboden zorg ten goede. De medische informatie die de huisartsenpost via het LSP krijgt, komt overigens niet in de plaats van de eigen waarneming van de behandelend arts. Anamnese en eigen onderzoek door de behandelend arts zijn nog steeds de hoeksteen van een goede behandeling.

  • Nee, deelname aan het LSP is vrijwillig. De LHV heeft zich er ook altijd hard voor gemaakt dat zorgverzekeraars deelname aan het LSP niet verplicht stellen (in hun contracten).

  • De koepels van huisartsen (LHV), huisartsenposten (toen VHN, nu onderdeel van InEen), apotheken (KNMP) en ziekenhuizen (NVZ) hebben in 2011 de Vereniging van Zorgaanbieders voor Zorgcommunicatie (VZVZ) opgericht. De VZVZ beheert, onderhoudt en ontwikkelt de zorginfrastructuur van het LSP.
    Nu is de LHV lid van de Koepeladviesraad van de VZVZ. De LHV is medeondertekenaar van het convenant 'Gebruik landelijke zorginfrastructuur 2013-2016', waarin afspraken zijn gemaakt over het LSP.

  • De LHV ziet het belang in van het beschikbaar hebben van betrouwbare gegevens voor dienstdoende huisartsen op de huisartsenposten en een zo compleet mogelijk medicatieoverzicht. Met name voor de behandeling van kwetsbare patiënten kan deze informatie de kwaliteit van de zorg ten goede komen. Het LSP biedt de technische mogelijkheid om de meest relevante patiëntgegevens met toestemming van de patiënt in te zien.

  • Op de huisartsenpost kunt u als dienstdoend huisarts de professionele samenvatting inzien. Die bestaat uit:

    • de actieve episodes;
    • de journaallijst van de contacten van de laatste vier maanden tussen huisarts en patiënt (en tenminste de laatste vijf contacten);
    • de voorgeschreven medicatie van de laatste vier maanden;
    • alle metingen en uitslagen (NHG codetabel 45, diagnostische bepalingen) binnen de periode van het opgeleverde journaal
    • de actuele overdrachtsgegevens
    • de identiteitsgegevens van de huisarts en de praktijk.
    • contra-indicaties (relevante informatie over comorbiditeit, geneesmiddelenintoleranties en –allergieën).

    Op de praktijk kunt u nu alleen het waarneembericht raadplegen. Er draait op het moment wel een pilot waarbij huisartsen via het LSP de medicatie-aflevergegevens kunnen opvragen bij de apotheken die zijn aangesloten op het LSP.

  • Apotheken kunnen de afleveringen van alle op het LSP aangesloten apotheken raadplegen. Waarnemers kunnen op de post de professionele samenvatting inzien. Het gaat hierbij om uitwisseling van gegevens binnen de regio.
    Overigens kan een patiënt u verzoeken bepaalde gegevens in het medisch dossier af te schermen. Andere zorgverleners kunnen de afgeschermde gegevens niet inzien en kunnen ook niet zien dat er gegevens zijn afgeschermd.  

  • Ja. Sinds april 2013 zijn er regionale schotten in het LSP ingebouwd. Er zijn zo’n 50 regio’s waarbinnen huisartsen, apotheken en huisartsenposten gegevens kunnen uitwisselen. Het gaat dus om overzichtelijke en kleinschalige structuren. Het beheer van zo’n LSP-regio wordt door de zorgaanbieders zelf gedaan. Uitgangspunt is dat een regio altijd een huisartsenpost en een dienstapotheek bevat, zodat de uitwisseling van gegevens via het LSP tijdens de waarneming optimaal wordt gewaarborgd. 

  • Nee, dat is uitgesloten. Andere zorgverleners kunnen alleen gegevens opvragen, de brongegevens kunnen niet worden gewijzigd. Voor huisartswaarneming geldt wel dat er na een consult door de waarnemer een waarneembericht naar de eigen huisarts wordt gestuurd. De huisarts kan dit toevoegen aan het dossier van de betreffende patiënt.

  • Volgens de NEN-normen voor beveiliging moet er gezorgd worden voor zogenaamde twee-factor-authenticatie. Dat wil zeggen dat er voor toegang twee factoren nodig zijn: je weet iets (je wachtwoord) en je hebt iets (het pasje). Zo wordt het voor onbevoegden extra bemoeilijkt om zich toegang tot patiëntgegevens te verschaffen. Voor toegang tot het LSP is besloten de UZI-pas te gebruiken voor authenticatie.

  • Op de website van de VZVZ is veel informatie beschikbaar over het aansluiten op en gebruik van het LSP. Zo zijn er factsheets, informatiekaarten, trainingen, checklists en nieuwsbrieven beschikbaar.

    Ook kunt u contact opnemen met het VZVZ Servicecentrum: 070 - 317 34 92 (bereikbaar op werkdagen van 8.30 tot 17.00 uur) of via het contactformulier

  • Sinds 1 april 2014 is er geen tegemoetkoming meer voor het laten (her)aansluiten op het LSP. U heeft nog wel recht op een bedrag voor het aanmelden van een patiënt (59 eurocent) en als u meer dan 40 procent van uw patiënt populatie heeft aangemeld, komt u in aanmerking voor een structurele, jaarlijkse tegemoetkoming.

  • Voor het aanmelden van een patiënt ontvangt u 59 eurocent. Daarin zitten alle inspanningen verdisconteerd, waarbij er ook rekening is gehouden met patiënten die er voor kiezen om geen toestemming te geven en die u dus niet kunt aanmelden op het LSP.  

  • Er zijn twee soorten tegemoetkomingen: een opt-in-vergoeding (voor de kosten en moeite voor het vragen en registreren van toestemming) en een structurele vergoeding (voor het behalen van een opt-in-doelstelling). Kijk voor informatie over de vergoedingen hier.

  • De wet schrijft niet voor dat de patiënt schriftelijk toestemming moet geven. Mondelinge toestemming is ook geldig. U bent wel verplicht de verkregen toestemming vast te leggen in uw HIS, evenals de datum waarop de toestemming is gegeven. U zorgt daarmee voor aantoonbaarheid van de toestemming. De plicht tot registratie in het dossier geldt ook als de patiënt aangeeft de toestemming te willen intrekken of geen toestemming geeft. Het is noodzakelijk dat u bij het vragen van toestemming de patiënt op de juiste manier informeert. Dat kan bijvoorbeeld door gebruik te maken van het informatiemateriaal van de VZVZ. Het is van groot belang dat u de patiënt deze informatie persoonlijk ter beschikking stelt, zoals door  materiaal te overhandigen aan de balie of mee te sturen met een brief. 

  • Zonder toestemming kunt u geen medische gegevens van de patiënt beschikbaar stellen via het LSP. Maar voor het sturen van patiëntgegevens (het zogenoemde pushverkeer) naar het ziekenhuis, bijvoorbeeld in het geval van een verwijzing, heeft u geen toestemming nodig. Het verzenden hiervan loopt ook niet via LSP.

  • De VZVZ heeft verschillende middelen om in te zetten voor de patiëntenvoorlichting. Dit materiaal vindt u op de website van de VZVZ. 

RI&E

  • Een RI&E kunt u simpel via onze applicatie opstellen en vervolgens uitprinten.  Andere werkgevershuisartsen kunnen dan gebruik maken van de reeds ingevulde items door deze over te nemen en waar nodig aan te passen. Een aantal items zal immers gelijk zijn zoals risico met betrekking tot gebouwen. Bij de vragenlijst kan naast een uitgebreide uitleg per vraag of stelling ook de tab “lijst” aangeklikt worden waarbij de stellingen alleen met een ja of nee ingevuld moeten worden. Met het “kopiëren van het  “”model” RI&E  werkt dit sneller. 

  • Uit de RI&E en het plan van aanpak kunnen punten komen die zowel individueel als gezamenlijk geregeld moeten worden. Het is bovendien aan te raden om op sommige gebieden samen te werken met de andere bedrijven in het pand, zoals BHV en ontruiming. Ook zijn sommige verantwoordelijkheden vastgelegd in het huurcontract, bijvoorbeeld verantwoordelijkheden met betrekking tot brandveiligheid. De huurders kunnen de verhuurder hier op aanspreken.

  • Elke werkgever is verplicht een eigen RI&E op te stellen, inclusief plan van aanpak. Dat er meer huisartswerkgevers in één pand gevestigd zijn, maakt hierbij niet uit.

Werkkostenregeling (WKR)

Zorgakkoord eerste lijn 2014-2017

  • Voor uw specifieke individuele situatie is dat moeilijk te zeggen. Op landelijk niveau zijn er de volgende afspraken gemaakt:

    Jaarlijkse groeiruimte van 2,5%                                                              + € 70 mln.
    Verwerken NZa-kostenonderzoek zonder schokeffecten                       + € 226 mln.
    Verplichting doelmatig voorschrijven (maximaal)                                    - € 50 mln.

    Grofweg betekent voor een gemiddelde praktijk:

    Jaarlijkse groeiruimte van 2,5%                                                              + € 10.000
    Verwerken NZa-kostenonderzoek zonder schokeffecten                       + € 32.000
    Verplichting doelmatig voorschrijven (maximaal)                                    - € 7.000

     

  • Het zorgakkoord eerstelijn is op te splitsen in drie onderdelen:

    a. inhoudelijke afspraken:

    • De centrale positie van de huisarts in de 1e lijn wordt bevestigd. Inclusief de kernwaarden van het huisartsenvak: generalistische, persoonsgerichte en continue zorg,
    • Indien mogelijk wordt de inschrijving op naam wettelijke verankerd. Substitutie is hét centrale thema

    b. de financiële afspraken:

    • Jaarlijkse groeiruimte beschikbaar van 2,5% voor reguliere groei en substitutie
    • Additionele groeiruimte mogelijk voor afspraken over gewenste substitutie
    • Verplichting doelmatig voorschrijven; opgelegde jaarlijkse besparing van € 50 mln.

    c. afspraken over nieuwe bekostigingsstructuur vanaf 2015 volgens het 3 segmentenmodel, zie vraag 9.

  • Het kader huisartsenzorg en het kader multidisciplinaire zorg mag tot en met 2017 jaarlijks groeien met 2,5 procent. Deze groei is verwerkt in de miljoenennota. 

    Groeipercentages: 2014 2015-2017
    jaarlijks regulier 1,5 % 1,0 %
    jaarlijks substitutie 1,0 % 1,5 %
    subtotaal 2,5 % (ca 70 mln per jaar)

    In totaal betekent dit dat er in 2017 € 294,5 mln is toegevoegd aan het macrokader voor huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg tezamen. Dit is exclusief de jaarlijks toe te kennen aanpassing voor loon- en prijsontwikkelingen.

  • Nee, de extra middelen voor uitbreiding van de POH-GGZ-functie zijn vorig jaar al in de Rijksbegroting verwerkt. De 2,5 procent voor reguliere groei en substitutie komt daar dus bovenop.

  • Partijen denken dat dit niet voldoende zal zijn. Daarom is afgesproken dat partijen (bovenop de overeengekomen jaarlijkse 2,5 procent) additionele afspraken kunnen maken over substitutie. Afgesproken is dat de verzekeraar tegelijkertijd een besparing realiseert door elders actief minder zorg in te kopen (bijvoorbeeld in de tweede lijn of in de ggz). Deze additionele afspraken moeten in een contract met verzekeraars worden vastgelegd om een eventuele korting achteraf te voorkomen.

  • Afgesproken is dat bij additionele afspraken over substitutie, de verzekeraar actief minder zorg inkoopt in bijvoorbeeld de tweede lijn. De verzekeraar heeft hier dus een belangrijke taak.

  • Partijen hebben afgesproken de uitgaven aan huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg vanaf 2014 nauwlettend te monitoren, teneinde inzage te krijgen in de aard, omvang en oorzaak van de uitputting van het budgettair kader huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg en mogelijke overschrijding daarvan. De VHN (inmiddels onderdeel van InEen), het LOK, de LVG, ZN, VWS en de LHV zullen die monitor in gezamenlijkheid opzetten.

  • De LHV heeft niet kunnen voorkomen dat de oude afspraak over doelmatig voorschrijven gehandhaafd wordt in het onderhandelaarsresultaat eerste lijn 2014-2017. Als de € 50 mln (gedeeltelijk) niet gehaald wordt, lopen de huisartsen het risico dat VWS een korting oplegt voor het deel van de € 50 mln dat (nog) niet gehaald is.

  • Ja, het NZa-praktijkkosten- en inkomensonderzoek 2012 is definitief van de baan. De eerder hiervoor ingeboekte korting van € 226 mln is ook definitief niet verwerkt in de miljoenennota.

  • Op 23 september heeft de Autoriteit Consument & Markt (ACM) het Onderhandelingsresultaat eerste lijn beoordeeld.  De ACM ziet in het akkoord geen mededingingsbezwaren.

    Zij begrijpt dat er in de uitwerking van het onderhandelaarsresultaat nog vragen over de verenigbaarheid met de mededingingswet kunnen zijn en biedt in die gevallen hulp aan in de vorm van een informeel gesprek of informele zienswijze.

  • Nee, de aparte macrokaders voor huisartsenzorg en medisch specialistische zorg blijven bestaan. Maar er kunnen bovenop de 2,5 procent groei wel contractuele afspraken gemaakt worden over 'gewenste substitutie'. Als de verzekeraar dan extra substitutiezorg contracteert in de eerste lijn, dan betekent dit tegelijkertijd dat de verzekeraar dan minder zorg in de tweede lijn zal moeten inkopen.