Veelgestelde vragen

 

Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz)

  • Wij verwachten dat het aantal leden van een cliëntenraad varieert  van 3 tot 7 leden.  Op basis hiervan geven wij een indicatie voor het vaststellen van het jaarlijkse budget van een cliëntenraad: 

    Aantal CR-leden Vrijwillgersvergoeding* Scholingskosten Advieskosten Onkosten Totaal
    3 1800 1500 1500 500 5300
    5 3000 2500 2500 1500 9500
    7 4200 3500 4500 2000 14.200

    * In dit voorbeeld is gerekend met 4 vergaderingen van 3 uur per jaar (2 uur vergadertijd en 1 uur voorbereiding) en een uurvergoeding van €50,-.

    Meer informatie kunt u vinden in de handreiking.

  • De Wmcz  verplicht zorgaanbieders met meer dan 25 zorgverleners een cliëntenraad in te richten. Aangezien er bij huisartsen onder een dak sprake is van meerdere huisartsenpraktijken, geldt deze verplichting alleen als er in een van de individuele praktijken meer dan 25 zorgverleners werkzaam is. Het feit dat de praktijken een kostenmaatschap zijn aangegaan doet hier niets aan af. 

  • De minister heeft tijdens de behandeling van de Wmcz 2018 de Kamer laten weten dat het om zorgaanbieders gaat vanuit waar in de regel meer dan 25 natuurlijke personen zorg verlenen. Hieronder vallen dus ook vaste waarnemers en gedetacheerde zorgverleners. Hoeveel uren de zorgverleners per week in de praktijk werkzaam zijn, is niet relevant.

  • Het gaat om mensen die vanuit de huisartsenpraktijk structureel zorg verlenen. Denk hierbij aan de huisarts, doktersassistent, praktijkondersteuner en verpleegkundig specialist.

    Een assistent die naast het plannen van afspraken tevens lichte vormen van zorg in opdracht van de huisarts verricht, zoals het uitspuiten van oren of het meten van de bloeddruk, valt onder het begrip natuurlijke persoon die zorg vanuit de instelling verleent. Assistenten die zuiver administratief werk doen, geen zorg verlenen, vallen niet onder het begrip.

    Een natuurlijke persoon die voor het verlenen van zorg alleen gebruik maakt van de faciliteiten van een andere instelling en wat de inhoud van de zorgverlening betreft geen enkele relatie heeft met die instelling, wordt niet meegenomen bij het bepalen van het aantal natuurlijke personen dat bij de betrokken instelling zorg verleent. Een natuurlijke persoon die echter op verzoek van een huisarts enkele uren per week in de betrokken huisartsenpraktijk aanwezig is voor specifieke hulpvragen van cliënten van die huisarts, wordt wel meegeteld.

    Artsen, doktersassistenten en praktijkondersteuners in opleiding vallen ook onder het begrip «natuurlijke personen die zorg verlenen», indien zij enige vorm van zorg verlenen. Zij moeten echter alleen worden meegenomen in de berekening als de instelling regelmatig een huisarts in opleiding of stagiaire heeft. Niet als er eenmalig gedurende bijvoorbeeld drie maanden een coassistent is.

  • In de Wmcz 2018 wordt gesproken over ‘het aantal zorgverleners per zorgaanbieder’. De vraag is dan of alle huisartsen in uw centrum een volledige maatschap vormen, in dienst zijn van de stichting, dan wel of er sprake is van meerdere praktijken met ieder een eigen AGB-code. Wanneer dit laatste het geval is, en u alleen het personeel deelt, adviseren wij u de ondersteunend medewerkers informeel toe te schrijven aan de verschillende praktijken. Zo kunt u indien gevraagd aantonen dat er in uw praktijk minder dan 25 zorgverleners werkzaam zijn.

  • De Wmcz 2018 is aangenomen door de Tweede Kamer maar moet nog door de Eerste Kamer worden behandeld. De wet treedt op 1 juli 2020 in werking. Vanaf dat moment is het voor huisartsenpraktijken met meer dan 25 zorgverleners verplicht een cliëntenraad te hebben.

    U heeft echter nog tot 31-12-2020 de tijd om met de clientenraad afspraken te maken over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de medezeggenschap en dit neer te leggen in een medezeggenschapsregeling (model in ontwikkeling, volgt in april). Meer informatie over de stappen om een cliëntenraad op te richten kunt u terugvinden in het stappenplan

  • De LHV heeft in samenwerking met InEen, de andere eerstelijnspartijen en de koepelorganisaties van clientenraden LSR en NCZ een stappenplan voor de oprichting van clientenraden opgesteld. De informatie die nu beschikbaar is, is toegeschreven op grote ouderenzorginstellingen en ziekenhuizen. Bovendien wensen wij meer duidelijkheid hierover van het ministerie van VWS.

  • De LHV heeft zich, samen met andere eerstelijnsorganisaties, hard gemaakt voor een uitzonderingspositie van kleinschalige zorgaanbieders. Dit vanwege de ongewenste lastenverzwaring en het feit dat medezeggenschap op vele manieren al is geborgd.

    Door onze lobby is de norm voor kleinschalige zorgaanbieders verhoogd: van 10 naar meer dan 25 zorgverleners. Hierdoor wordt het grootste deel van de huisartsenpraktijken uitgezonderd.

De geneeskundige zorg voor specifieke patiëntgroepen (GZSP) 2021

  • Bij de hervormingen van de langdurige zorg in 2015 is een aantal behandelprestaties ondergebracht in de Tijdelijke subsidieregeling extramurale behandeling. Zo kon deze zorg geleverd blijven worden, terwijl uitgezocht werd wat deze zorg precies omvat en waar de financiering van deze zorg  thuishoort. De zorg betreft generalistische geneeskundige zorg voor specifieke, kwetsbare doelgroepen die thuis wonen. Denk hierbij aan:

    • ouderen met multiproblematiek (somatisch en/of psychisch);
    • mensen met progressieve, degeneratieve neurologische aandoeningen (zoals de ziekte van Parkinson, de ziekte van Huntington, de ziekte van Korsakov en multiple sclerose);
    • mensen met een lichamelijke beperking of niet aangeboren hersenletsel door bijvoorbeeld CVA, trauma of een hersentumor;
    • mensen met een verstandelijke beperking.

    Deze patiënten hebben geen indicatie voor de Wet langdurige zorg (Wlz). Zij komen daar ook (nog) niet voor in aanmerking, omdat zij (nog) geen 24-uur zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig hebben. Zij hebben wel (integrale/multidisciplinaire) behandeling nodig om zelfstandig te kunnen functioneren. Bij deze zorg is aandacht voor verbetering van de functionele autonomie, voor het voorkomen van verergering van de beperkingen en voor het leren omgaan met de (voortschrijdende) beperkingen.

  • De overgang houdt in dat de GZSP niet langer door de zorgkantoren wordt ingekocht, maar in het verzekerde pakket van de Zvw valt. Dit heeft onder meer tot gevolg dat het eigen risico van toepassing is en dat zorgverzekeraars in plaats van zorgkantoren de zorg inkopen.

    Voor de paramedische zorg betekent dit dat voor verzekerden van 18 jaar of ouder de fysiotherapie en oefentherapie ter behandeling van een aandoening op de zogenaamde chronische lijst onder de te verzekeren zorg valt, met uitzondering van de eerste 20 behandelingen. Ergotherapie is beperkt tot tien behandeluren per jaar en diëtetiek is beperkt tot drie behandeluren per jaar.

    Voor jeugdigen met een verstandelijke beperking geldt:

    • diagnostiek van ongespecificeerde klachten valt altijd onder de Zvw, ook voor patiënten jonger dan 18 jaar;
    • specifieke, gedragsmatige/psychologische behandeling valt onder de Jeugdwet voor patiënten jonger dan 18 jaar.

    Op zorginhoudelijk gebied  verandert er niets.

  • Onder de Tijdelijke subsidieregeling werd de indicatie voor GZSP-behandeling afgegeven door het CIZ. Door de overgang van de GZSP naar de Zvw is dat niet langer het geval. Huisartsen worden poortwachter voor de GZSP en kunnen rechtstreeks verwijzen naar deze zorg.

    In 2020 is de zorg geleverd door de specialist ouderengeneeskunde (SO) en de arts verstandelijk gehandicapten (AVG) al naar de Zvw overgegaan. Een (deel van deze) zorg kan geleverd worden door een verpleegkundig specialist. Per 1 januari 2021 gaan ook de overige behandelingen over naar de Zvw. Huisartsen kunnen vanaf dan verwijzen naar:

    • behandeling SO,
    • behandeling AVG,
    • behandeling gedragswetenschapper, zowel individueel als in een groep geleverd door bijvoorbeeld de GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist (hierna: gedragswetenschapper),
    • paramedische zorg,
    • *zorg in een groep voor kwetsbare patiënten,
    • zorg in een groep voor lichamelijk gehandicapten en/of niet aangeboren hersenletsel,
    • behandeling SGLVG (sterk gestoord gedrag en een licht verstandelijke beperking; zowel individueel als in een groep).

    *‘Zorg in een groep’ is in de plaats gekomen voor de aanduiding ‘dagbehandeling’ in de tijdelijke subsidieregeling.

  • De huisarts is poortwachter voor de GZSP. In veel gevallen zal dit betekenen dat de huisarts verwijst naar de SO, AVG of gedragswetenschapper voor aanvullende expertise. Ook de verpleegkundig specialist, werkzaam in de huisartsenpraktijk, kan verwijzen naar de GZSP.

    In sommige gevallen kan dit een eenmalige consult zijn waarin de huisarts advies vraagt aan een SO, AVG of gedragswetenschapper, maar er kan ook meer nodig zijn. Deze professionals zullen dan in hun rol als regiebehandelaar een behandelplan opstellen, waarin omschreven staat welke zorg de patiënt nodig heeft (zowel individueel als in een groep). De patiënt kan daarna aan de behandeling beginnen zonder tussenkomst van de huisarts. De huisarts ontvangt hier een afschrift van.

    Voor de verschillende doelgroepen kan de toeleiding naar zorg er als volgt uitzien:

    • behandeling SO en behandeling AVG: verwijzing door huisarts en medische specialist,
    • behandeling gedragswetenschapper: verwijzing door huisarts of de inzet van gedragswetenschapper wordt omschreven in het behandelplan opgesteld door SO en AVG,
    • zorg in een groep voor kwetsbare patiënten: verwijzing door huisarts. Of SO of AVG bepaalt of zorg in een groep opgenomen moet worden in het behandelplan,
    • zorg in een groep voor lichamelijk gehandicapten en/of niet aangeboren hersenletsel: verwijzing door huisarts. Of SO, AVG of gedragswetenschapper bepaalt of zorg in een groep opgenomen moet worden in het behandelplan,
    • behandeling SGLVG: verwijzing door huisarts. Of AVG of gedragswetenschapper bepaalt of behandeling SGLVG opgenomen moet worden in het behandelplan.  

    KIik op de afbeelding om te vergroten.

  • U kunt naar GZSP verwijzen als u aanvullende deskundigheid nodig heeft voor de zorg aan specifieke patiëntgroepen. Dat doet u op dezelfde manier als u naar medisch specialistische zorg verwijst, of naar aanvullende eerstelijnszorg. Reden voor verwijzing naar GZSP kan zijn dat aanvullende diagnostiek nodig is om onderliggende zorgvragen vast te stellen, of dat een specifieke aanpak nodig is om de patiënten zo goed mogelijk te leren omgaan met (de gevolgen van) beperkingen, of om verergering van klachten te voorkomen. 

    U kunt ervoor kiezen eerst de expertise van de SO, AVG of gedragswetenschapper  in te schakelen om te bepalen of een verwijzing door de huisarts nodig is. Dit kan door gericht overleg met hen te voeren of de patiënt door te verwijzen voor een consult. Deze vier professionals kunnen vervolgens nagaan of meer zorg nodig is en zullen zo nodig een behandelplan opstellen.

  • Een regiebehandelaar is verantwoordelijk voor het opstellen van het individueel behandelplan, waarin de zorg van andere zorgverleners is beschreven en stuurt het multidisciplinaire team aan. De regiebehandelaar voert hier regie over en stelt waar nodig dit plan bij. De rol van de regiebehandelaar bij de inzet van multidisciplinaire zorg (volgens standaarden) onderscheiden we van de generalistische (monodisciplinaire) inzet op verzoek van de huisarts.

    Regiebehandelaar kan zijn de SO, AVG, verpleegkundig specialist of gedragswetenschapper. Deze behandelaars leveren de zorg vaak in nauwe samenwerking met andere zorgverleners in een multidisciplinair team. Daarbij is de regierol bij de SO, AVG, verpleegkundig specialist of gedragswetenschapper belegd. Wie deze rol vervult  hangt af van de vraag of de somatische of het gedragsmatige aspect voorliggend is. De regiebehandelaar is het eerste aanspreekpunt voor de patiënt in de GZSP-behandeling.

  • Het kan over individuele behandeling gaan door onderstaande professionals, maar deze zorg heeft een sterk multidisciplinair karakter waarin er vanuit een behandelplan door meerdere professionals gewerkt wordt.

    7.1 Behandeling SO

    De SO probeert de kwaliteit van het leven van kwetsbare ouderen en patiënten met een complexe zorgvraag te behouden of te verbeteren. Hij werkt bijvoorbeeld in een verpleeghuis, in een hospice, bij mensen thuis (eerstelijnszorg), in het ziekenhuis, revalidatiecentrum of in de GGZ.

    De SO behandelt en begeleidt patiënten met (een combinatie van) ziektes als diabetes, dementie, Parkinson, osteoporose, COPD, Korsakov, maar ook hartfalen, MS, hersenletsel, beroerte en psychische of psychiatrische problemen. Daarnaast verleent hij zorg aan patiënten die moeten revalideren en is hij deskundig in het bieden van terminale en palliatieve zorg.

    De SO kijkt niet alleen naar het ziektebeeld, maar óók naar de gevolgen van de gezondheidsproblemen voor het dagelijks leven van de persoon en zijn omgeving. Bijdragen aan de kwaliteit van leven én de zelfredzaamheid en autonomie van de patiënt zijn de belangrijkste uitgangspunten in het werk van de specialist ouderengeneeskunde. Als het mogelijk is, kan de specialist ouderengeneeskunde met de patiënt overleggen over de langere termijn (zgn. ‘advance care planning‘).

    7.2 Behandeling AVG

    De AVG is specifiek opgeleid om in de bijzondere medische zorgbehoeften van mensen met verstandelijke beperkingen te voorzien. Deze zorg is gericht op voorkomen, behandelen en beperken van (handicapgebonden) somatische en psychische problematiek in afstemming met andere professionals. Uitgangspunt hierbij is te zorgen voor optimale kwaliteit van leven binnen de gegeven beperkingen.

    De variëteit aan zorgvragen waarmee de AVG wordt geconfronteerd is door de diversiteit van de doelgroep erg groot. Door het specialistisch generalistisch karakter van het zorgaanbod van de AVG zijn er ook verschillende andere doelgroepen naast mensen met een verstandelijke beperking die baat hebben bij de kennis en expertise van de AVG.

    De AVG onderscheidt zich op een aantal punten van andere medische professionals:

    • Gedegen en hoogwaardige diagnostiek bij atypische klachten
    • Diagnostiek en behandeling van probleemgedrag
    • Integratie van generalistische vaardigheden en verschillende medische vakgebieden
    • Proactieve monitoring van de gezondheid

    7.3 Behandeling gedragswetenschapper

    Professionals die onder de gedragswetenschapper vallen zijn: de GZ-psycholoog, de klinisch psycholoog, de orthopedagoog(-generalist) en de kinder- en jeugdpsycholoog. De gedragswetenschapper heeft specifieke kennis over psychische- en gedragsaspecten en het vaststellen van een onderliggende zorgvraag.

    De kerntaken van de gedragswetenschapper zijn:  

    • via beeldvorming en diagnostiek de specifieke behoeften en mogelijkheden van de cliënt en het (mantelzorg)systeem in kaart brengen;  
    • de behandeling direct en indirect afstemmen op het perspectief van de cliënt en het cliëntsysteem en als behandelaar verantwoordelijk zijn voor de uitvoering daarvan;  
    • psychologische of orthopedagogische behandeling bieden aan cliënt en/of mantelzorgers; 
    • de kwaliteit van de zorg/ondersteuning en het dagelijks leven van de cliënt en het cliëntsysteem bewaken en borgen; 
    • via voorlichting en psycho-educatie werken aan gelijkwaardigheid, volwaardig burgerschap en een goede kwaliteit van leven van mensen met beperkingen; 

    De behandeling van de GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist kan individueel, in een groep of een combinatie van die twee zijn. In het geval van individuele behandeling door de GZ-psycholoog of orthopedagoog-generalist kan ook een vaktherapeut worden ingezet als medebehandelaar.  

    Vaktherapeut is verzamelnaam voor: psychomotorische (kinder)therapeut, beeldende therapeut, danstherapeut, dramatherapeut, muziektherapeut, en speltherapeut.

    7.4 Paramedische zorg

    Met paramedische zorg wordt bedoeld: ergotherapie, fysiotherapie, oefentherapie, logopedie en diëtiek. Deze zorg komt overeen met de paramedische zorg die al onder de Zvw valt.

    De zorg die paramedici aan specifieke patiëntgroepen verlenen is individueel en onderdeel van een behandelplan, waaruit een multidisciplinaire aanpak blijkt. Dit vergt speciale deskundigheid en/of aanvullende locatievereisten voor de specifieke patiëntgroepen die onder de GZSP vallen.

    Daarmee is de paramedicus onderdeel van het multidisciplinaire team die wordt aangestuurd door de regiebehandelaar. Indien de paramedicus zorg levert in het kader van GZSP dient het behandelplan en de AGB code van de regiebehandelaar bij hen bekend te zijn. 

    7.5 Zorg in een groep voor kwetsbare patiënten

    Zorg in een groep aan kwetsbare patiënten met somatische dan wel cognitieve problematiek, waaronder psychogeriatrische, met een intensieve zorgvraag. Een belangrijke reden voor dagbehandeling in een groep is dat patiënten veel leren van de interactie in de groep.

    De zorg is gericht op het herstel en/of het aanleren van vaardigheden, dan wel het stabiliseren van het functioneren. Daarnaast richt de zorg zich op voorkoming van verergering van beperkingen en/of het leren omgaan met fysieke en/of cognitieve beperkingen. De concrete en haalbare behandeldoelen zijn vastgelegd in een individueel behandelplan.

    De behandeling wordt geleverd door een multidisciplinair team. Onder regie van de regiebehandelaar kunnen tijdens de dagbehandeling disciplines zoals gedragsdeskundigen, vaktherapeuten en paramedici worden ingezet. Verder is tijdens de behandeling in een groep – voor zover medisch noodzakelijk ten tijde van de behandeling – het direct inroepen van verpleegkundige zorg mogelijk. Deze verpleegkundige zorg maakt daarmee ook onlosmakelijk onderdeel uit van de behandeling in een groep.

    7.6 Zorg in een groep voor lichamelijk gehandicapten en/of niet aangeboren hersenletsel

    De behandeling omvat multidisciplinaire zorg in een groep op basis van een individueel behandelplan ten behoeve van het:

    • aanleren van vaardigheden ter vergroting van zelfregie en praktische zelfredzaamheid;
    • aanleren van gezond gedrag ter voorkoming en vermindering van met niet-aangeboren hersenletsel (nah) of lichamelijke beperkingen verbonden gezondheidsproblematiek en gezondheidsrisico’s, zoals het optreden van psychische en maatschappelijke problemen;
    • voorkomen van gevolgen/complicaties van de aandoening of van het ontstaan van met de aandoening gerelateerde stoornissen.

    Het behandelprogramma wordt aangeboden om betrokkene zoveel als mogelijk fysiek en psychisch te leren omgaan met de aandoening en beperkingen die uit de aandoening en beperkingen voortvloeien. Een belangrijke reden voor dagbehandeling in een groep is dat patiënten veel leren van de interactie in de groep. De behandeling is erop gericht de functionele autonomie van de patiënt te behouden en te bevorderen. De zorg beoogt achteruitgang en escalatie te voorkómen, gedrag hanteerbaar te maken en fysiek en psychisch functioneren te verbeteren.

    7.7 Behandeling SGLVG (sterk gestoord gedrag en een licht verstandelijke beperking)

    Het gaat om behandeling voor volwassenen patiënten met een verstandelijke beperking, één of meer psychiatrische stoornissen en ernstige gedragsproblematiek. De gedragsproblematiek is in samenhang met de verstandelijke beperking en de psychiatrische stoornis(sen) ontstaan.

    De zorg is gericht op de vergroting van de competenties van de patiënt, zijn steunsysteem en zijn professionele netwerk met oog op het leren omgaan met zijn beperkingen in het verstandelijk en adaptief functioneren. De zorg omvat:

    • integratieve, multidisciplinaire diagnostiek van de gedragsproblematiek;
    • multidisciplinaire behandeling van de gedragsproblematiek op basis van een individueel behandelplan en gericht op de vermindering van gedragsproblematiek, psychische klachten en eventuele somatische klachten. Psycho-educatie van de patiënt, zijn persoonlijke steunsysteem en zijn professionele netwerk maakt integraal deel uit van de behandeling.

    SGLVG-behandeling kan individueel of in een groep zijn. In het geval van individuele behandeling door de gedragswetenschapper kan ook een vaktherapeut worden ingezet als medebehandelaar.

    Vaktherapeut is verzamelnaam voor: beeldende therapeut, danstherapeut, dramatherapeut, muziektherapeut, psychomotorische therapeut en speltherapeut.

  • Er bestaat niet één overzicht van alle GZSP-aanbieders. Onderstaande opsomming geeft enkele handvatten.

    • SO’s: op de website van de beroepsvereniging van SO’s is een overzicht van SO’s te vinden;
    • AVG’s: op de website van de NVAVG is een overzicht van AVG poliklinieken te vinden;
    • Gedragswetenschappers: via de websites van het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO zijn overzichten te vinden van alle bij het NIP aangesloten psychologen en bij de NVO aangesloten orthopedagogen of orthopedagoog-generalisten;
    • Niet-aangeboren hersenletsel: Voor deze doelgroep kan worden verwezen naar onder andere Hersenz, een netwerk van aanbieders van deze vorm van zorg aan mensen met hersenletsel;
    • Progressieve aandoeningen zoals Huntington, Parkinson, MS: verpleeghuizen of instellingen voor lichamelijk gehandicapten bij u in de buurt leveren veelal deze zorg bijvoorbeeld te vinden via Parkinsonnet;
    • Sterk gestoord gedrag en licht verstandelijke beperking (SGLVG): deze zorg wordt geleverd door de SGLVG-behandelcentra  verenigd in De Borg (Dichterbij/Stevig, Fivoor/Wier, Ipse de Bruggen/Middenweg, Trajectum);
    • Korsakov: GGZ-instellingen, verpleeghuizen, kleinschalige woonvoorzieningen of de RIBW bij u in de buurt leveren veelal deze zorg;
    • (Jonge mensen met) dementie: verpleeghuizen bij u in de buurt leveren veelal deze zorg.
  • Om te kunnen voldoen aan de zorgplicht zullen verzekeraars voldoende aanbod inkopen voor hun verzekerden. Met verzekeraars is afgesproken dat het aanbod dat onder de subsidieregeling door zorgkantoren werd ingekocht, ook wordt ingekocht door zorgverzekeraars. Als er nog niet gecontracteerde zorgaanbieders aanwezig zijn en dit voldoet aan de criteria, kunnen de zorgverzekeraars ervoor kiezen aanvullend te contracteren.

  • Verzekeraars hebben een zelfstandig contracteringsbeleid. Verschillen tussen verzekeraars zijn daardoor mogelijk en niet te voorkomen. Verzekeraars en zorgaanbieders streven er wel naar om de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken. Daarvoor wordt ook naar de (verschillen in) contracteervoorwaarden gekeken.

    Voor de GZSP hebben de verzekeraars gezamenlijk uitgangspunten geformuleerd die door alle verzekeraars worden gebruikt in het inkoopbeleid. Daarnaast kan de verzekeraar nog aanvullende voorwaarden opnemen in het inkoopbeleid. De patiënt kan bij zijn/haar zorgverzekeraar nagaan van welke voorwaarden sprake is per 2021.

    Alle verzekerden hebben recht op dezelfde zorg in het basispakket. Om dat te realiseren kopen zorgverzekeraars zorg in voor hun eigen verzekerden. Indien er niet binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang is tot deze zorg, kunt u uw patiënt informeren dat zij hierover contact met de verzekeraar kunnen opnemen. Mocht dit niet helpen, dan kunt u hiervan melding maken bij de Nederlandse Zorgautoriteit via https://www.nza.nl

    Een groot aantal GZSP-aanbieders zal een contract hebben met verzekeraars. Dit geldt met name voor de zorgaanbieders die ook al praktijk voerden onder de Tijdelijke subsidieregeling.

  • Als de GZSP-aanbieder waar de patiënt naartoe wil geen contract heeft met de zorgverzekeraar van de patiënt, kan de vergoeding uit de basisverzekering lager zijn dan wanneer de patiënt naar een gecontracteerde zorgverlener gaat. De patiënt kan dit nagaan bij zijn/haar zorgverzekeraar.

  • Voor de huisarts verandert er niets, de reguliere prestaties uit de regelgeving voor de huisartsenzorg blijven gelden.

    De GZSP-aanbieders kunnen zelfstandig declareren via de prestaties van de Nederlandse Zorgautoriteit. Voor de paramedische zorg die overkomt vanuit de subsidieregeling kunnen de prestaties uit de regelgeving voor de eerste lijn paramedische zorg worden gedeclareerd en gelden de regels en restricties zoals genoemd onder vraag 2.

  • Ja, GZSP valt onder het eigen risico. Deze zorg wordt op verwijzing geleverd door gespecialiseerde behandelaars. Het eigen risico geldt ook voor het gericht overleg tussen de behandelend (huis)arts en de SO, AVG of gedragswetenschapper (zonder aanwezigheid van de patiënt). Tijdens het gesprek met de patiënt en/of mantelzorger kunt u hen hierover informeren.

    Het is goed om te weten dat deze patiëntengroepen, door hun complexe zorgvraag, al vaak hun eigen risico opmaken. Daarnaast hebben mensen met een laag inkomen recht op zorgtoeslag.

    Wanneer de zorg door de SO onderdeel is van een integrale ketenzorg en het dus de zorggroep is die declareert (prestaties in segment 2, beschreven in de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2020(externe link) (BR/REG-20133)), dan gelden de regels van de multidisciplinaire zorg en geldt er geen eigen risico. De SO kan zijn zorg via onderlinge dienstverlening declareren bij de zorggroep.

  • Uitgangspunt is dat de zorg gewoon doorloopt bij dezelfde behandelaren. De regiebehandelaar  van de patiënt bepaalt de doelen en de duur die nog nodig is en doet dit in overleg met de rest van het multidisciplinaire team en de patiënt. Wel heeft dit per 1 januari 2021 consequenties voor het eigen risico. Het is goed om te weten dat deze patiëntengroepen, door hun complexe zorgvraag, al vaak hun eigen risico opmaken.

    Patiënten zullen geïnformeerd worden door hun regiebehandelaar of instelling waar deze functionaris bij is aangesloten. Voor meer informatie, zie de overgangsregeling GZSP per 1-1-21.

  • Binnen de Zvw is er een regeling zittend ziekenvervoer. Om het vervoer voor patiënten die onder deze groep vallen te waarborgen, wordt er een extra categorie toegevoegd aan de regeling Zittend ziekenvervoer in het Besluit Zvw. Zorgverzekeraars voeren deze regeling uit. Wat een patiënt vergoed krijgt is afhankelijk van zijn of haar zorgverzekering. Er is in ieder geval sprake van een eigen bijdrage van €105 (2020) en het eigen risico is van toepassing.

  • Het streven is om uiterlijk 1 september vragen en antwoorden te publiceren op de website van Rijksoverheid. Vanaf dat moment kunnen patiënten/cliënten aanvullende vragen aan u stellen. De groep patiënten die al zorg in een groep (dagbehandeling) ontvangt, krijgt een brief mee van de instelling waarin de meeste relevante wijzigingen benoemd zijn.

Wet DBA/regelgeving zzp'ers

  • Twee dingen, namelijk belangenbehartiging en productontwikkeling.

    Belangenbehartiging

    De LHV volgt de ontwikkelingen rond de Wet DBA sinds 2016 op de voet en is actief om het geluid van de huisarts in deze brede discussie te laten horen. Wij zetten in onze lobby (als sinds 2016) erop in dat de voorstellen:

    • geen extra administratieve lasten voor onze leden met zich mee mogen brengen
    • dat voorstellen niet mogen scheuren met huidig gezondheidsrecht
    • en dat het mogelijk moet blijven om ook binnen de huisartsenzorg een flexibele schil middels zzp’ers te behouden. Minimaal moet er ruimte zijn voor de inzet bij ziekte, pieken en andere vormen van tijdelijke inzet.

    Als LHV hebben wij het initiatief tot samenwerking met andere partijen genomen, om ons geluid nóg sterker te maken. Daar waar dit ons huisartsengeluid versterkt, trekken wij sindsdien samen op met beroepsverenigingen van de tandartsen (KNMT) en de medisch specialisten (FMS), alsmede met de VvAA.

    Vaste waarneming schuurt onder omstandigheden met de huidige en toekomstige regelgeving, er kan sprake zijn van schijnzelfstandigheid. De grens tussen wat wel en niet kan is grijs. Wij zijn als LHV in gesprek met de belastingdienst om meer duidelijkheid te krijgen over wat wel en niet kan. Vaste waarneming waarbij een waarnemer structureel en langdurig werkt als ware de waarnemer een Hidha, kan nu niet en zal ook in de toekomst niet kunnen. Dan is er sprake van schijnzelfstandigheid. Wij proberen met de belastingdienst te komen tot afspraken over een manier van langduriger inzet van waarnemers in de huisartsenpraktijk. De mogelijkheden daartoe zijn helaas niet onbegrensd. Eventuele nieuwe afspraken met de belastingdienst zullen er in veel gevallen wel toe leiden dat de manier van werken met vaste waarnemers zal moeten worden aangepast.    

    Productontwikkeling

    In de loop van 2020 komt er op de website van de LHV meer informatie beschikbaar over de gezagsverhouding (wanneer wel en geen gezag, dit is namelijk vooral bepalend voor de vraag of de belastingdienst achteraf kan stellen dat er sprake is van een dienstbetrekking) en alternatieve werkvormen voor de vaste inzet van huisartsen, als alternatief op het “vaste waarnemerschap” zoals dat nu veelal plaatsvindt. Zoals aangegeven zijn wij aangaande de mogelijke structurele inzet van waarnemers in een huisartsenpraktijk nog wel in overleg met de belastingdienst.  

    Wat mag u in dit verband als LHV-lid in de loop van dit jaar van ons verwachten?

    • Product: Overzicht meest gebruikelijke werkvormen voor duurzame praktijksamenwerking als alternatief voor “vast waarnemerschap” en uitleg van de mogelijkheden daarbinnen;
    • Product: Actielijst voor de situatie dat waarneemwerkzaamheden worden gecombineerd met een dienstverband;
    • Product: webinar, gratis voor LHV-leden.
    • Product: leidraad gezagsverhouding: uitleg over wanneer er sprake is van een gezagsverhouding. Ook meer uitleg over de fiscale regels vanuit het gezichtspunt van de praktijkhouder (loonbelasting en sociale premies) én vanuit het gezichtspunt van de waarnemer (Inkomstenbelasting);
    • Product: aangepaste modelovereenkomsten voor langdurige inzet van waarnemers in de praktijk (onder voorbehoud van besprekingen met de belastingdienst);
    • Beantwoording FAQ (Frequently Asked Questions);
    • Eerstelijns advies van onze juristen 

    Naar het dossier wet DBA

    Naar alle veelgestelde vragen over de wet DBA

  • Deze vraag wordt ons vaak gesteld door zowel waarnemers als praktijkhouders.

    Voor waarnemers en praktijkhouders is het van belang om te weten dat de Wet DBA gaat over de vraag of er in een specifieke opdracht wel of niet ongewild toch sprake is van een dienstbetrekking in plaats van een opdracht aan een zelfstandige, waardoor de opdrachtgever loonbelasting en sociale premies (ww-premie, etc.) moet betalen. Daarbij bekijkt de belastingdienst of er in een specifieke opdracht sprake is van:

    1. Gezag
    2. Persoonlijke arbeid (geen vrije vervanging mogelijk) en
    3. Een beloning voor de arbeid.

    Wanneer aan alle drie genoemde elementen wordt voldaan is er sprake van een dienstbetrekking en moeten loonbelasting en sociale premies worden afgedragen door de opdrachtgever, want het is de opdrachtgever die de plicht heeft om loonbelasting en sociale premies af te dragen voor werknemers.

    Gezagsverhouding

    Of in een specifieke situatie sprake is van een dienstbetrekking of niet, zal veelal afhankelijk zijn van het wel of niet aanwezig zijn van een gezagsverhouding. De rechter zal bij een beoordeling altijd holistisch toetsen. Wat inhoudt dat het géén zwart-wit uitspraken te doen zijn (ook niet over het aantal uren): per casus wordt bekeken hoeveel gewicht er toegekend moet worden aan de criteria om gezag te bepalen.

    In de memo toetsing arbeidsrelatie waarnemer wordt duidelijkheid gegeven over de elementen die de Belastingdienst in de toetsing meeneemt. Duur van een opdracht (het aantal uren per week en de lengte) weegt mee in de bepaling of er wel of geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar betreft zeker geen doorslaggevende factor. Andere factoren (bijvoorbeeld de organisatorische inbedding ( staat de waarnemer met naam en toenaam als huisarts op de website, wordt deelgenomen aan praktijk overleggen, worden beoordelingsgesprekken gevoerd etc.), of de taken een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering van de huisartsenpraktijk etc.) wegen ook mee en zijn allen voor u bespreken in de memo toetsingen arbeidsrelatie.

    Hierin wordt ook ingegaan op de fiscale positie van de waarnemer. Als waarnemer zul je voor wat betreft de te betalen Inkomstenbelasting gebruik willen maken van de zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-vrijstelling. Voorwaarde daarvoor is dat je kwalificeert als “ondernemer”. In dat verband is het van belang dat je niet te afhankelijk bent van één opdrachtgever, dus daarvoor is het aantal uren wel van belang. Wanneer je bijvoorbeeld vijf jaar lang vier dagen per week werkt voor één opdrachtgever, zul je door de belastingdienst naar alle waarschijnlijkheid niet meer worden gezien als ondernemer voor de Inkomstenbelasting. Helaas is het niet zwart – wit wanneer je nog wel en wanneer je niet meer kwalificeert als ondernemer. Twee hulpmiddellen die je hierbij kunnen helpen zijn de memo toetsing arbeidsrelatie waarnemer en  de ondernemerscheck van de belastingdienst.

    Richtlijn

    Als richtlijn voor nu kunnen we wel aangeven dat daar waar vanuit zowel waarnemer als praktijkhouder behoefte is aan structureel en langdurig in een praktijk werken, andere vormen (dienstverband of praktijkhouderschap, een combinatie van waarnemen en een dienstverband of mogelijke andere te bedenken vormen) fiscaal en arbeidsrechtelijk vaak passender zijn. Over de manieren waarop dit kan worden vormgegeven, bestaan heel veel vooronderstellingen. In de loop van 2020 willen wij u als LHV voorzien van informatie over de variaties die er bestaan binnen deze vormen, waarbij wij u willen laten zien wat er allemaal mogelijk is binnen deze vormen. Dit willen we voorzien van goede voorbeelden vanuit de praktijk.  

    Voor waarnemers

    Voor waarnemers is het goed om te weten dat de wet DBA alleen maar gaat over die ene specifieke opdracht en de plicht van de opdrachtgever om loonbelasting en sociale premies (ww etc.) af te dragen. In een ander verband is het aantal uren dat je werkt voor een praktijk wél heel erg van belang voor je fiscale positie als waarnemer. Als waarnemer zul je voor wat betreft de te betalen Inkomstenbelasting gebruik willen maken van de zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-vrijstelling. Voorwaarde daarvoor is dat je kwalificeert als “ondernemer”. In dat verband is het van belang dat je niet te afhankelijk bent van één opdrachtgever, dus daarvoor is het aantal uren wel van belang. Wanneer je bijvoorbeeld vijf jaar lang vier dagen per week werkt voor één opdrachtgever, zul je door de belastingdienst naar alle waarschijnlijkheid niet meer worden gezien als ondernemer voor de Inkomstenbelasting. Helaas is het niet zwart – wit wanneer je nog wel en wanneer je niet meer kwalificeert als ondernemer. En hulpmiddel wat je hierbij kan helpen is de ondernemerscheck van de belastingdienst.

    Naar alle veelgestelde vragen over de wet DBA

  • Het belangrijkste criterium om onderscheid te maken tussen loondienst of werk wat door een zzp’er kan worden gedaan, is de vraag: is er wel of geen gezag?

    Er zijn 2 criteria waaraan de aanwezigheid van een gezagsverhouding wordt getoetst:

    1. Materieel gezag (de bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen). Er mogen wel aanwijzingen worden gegeven ter zake het resultaat, maar dus geen instructies hoe tot het resultaat te komen;
    2. Formeel gezag (de vraag of en op welke wijze de arbeidsrelatie van de medewerker is ingebed in de organisatie van de huisartsenpraktijk).

    Met name van formeel gezag is in de praktijk geregeld sprake. De zzp’er wordt bijvoorbeeld met foto op website benoemd, heeft “eigen” patiënten, draait mee in de niet – patiëntgebonden taken van de praktijk, neemt deel aan de praktijk overleggen, draait mee in het vaste vakantieschema van de praktijk en draait als huisarts mee in dienstenschema, etc.

    Lees in de memo toetsing arbeidsrelatie waarnemer welke elementen worden meegewogen in de toetsing van de arbeidsrelatie.

    Maar ook voor met name vaste waarnemers zal veelal gelden dat er wél sprake is van organisatorische inbedding. De vaste waarnemer is vaak in feite gewoon een vaste medewerker van de praktijk is (foto op website, “eigen” patiënten, meedraaien in de niet – patiëntgebonden taken van de praktijk, meedoen met de wekelijkse praktijkvergaderingen, meedraaien in vakantieschema, als huisarts meedraaien in dienstenschema, etc.).

    Situatie afhankelijk

    Per situatie zal moeten worden afgewogen of in zzp-verband een opdracht kan worden uitgeoefend. Van belang is om hierin te streven naar een zo’n groot mogelijke mate van onafhankelijkheid van elkaar als partijen en een afgebakende tijd na te streven. Wanneer u dit niet wenselijk vindt, ligt het meer voor de hand om samen te bekijken of andere vormen (praktijkhouderschap / associatie of dienstbetrekking) om de samenwerking vorm te geven niet meer voor de hand liggen. Over de mogelijkheden binnen de voornoemde vormen bestaat veel (onjuiste) vooronderstellingen bij zowel praktijkhouders als waarnemers. In de loop van de 2020 komt de LHV met meer uitleg over de mogelijkheden binnen de genoemde vormen.   

  • Als waarnemer zult u voor wat betreft de te betalen Inkomstenbelasting gebruik willen maken van de zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-vrijstelling. Voorwaarde daarvoor is dat u kwalificeert als “ondernemer”. In dat verband is het bijvoorbeeld van belang dat u niet te afhankelijk bent van één opdrachtgever, maar ook zaken als het wel of niet lopen van ondernemersrisico spelen een rol.

    Wanneer u bijvoorbeeld vijf jaar lang vier dagen per week werkt voor één opdrachtgever, zult u door de belastingdienst naar alle waarschijnlijkheid niet meer worden gezien als ondernemer voor de Inkomstenbelasting. Helaas is het niet zwart – wit wanneer u nog wel en wanneer u niet meer kwalificeert als ondernemer. Twee hulpmiddelen die u hierbij kunnen helpen zijn de memo toetsing arbeidsrelatie waarnemer en de ondernemerscheck van de belastingdienst.

    In dit verband kunnen wij u wel enkele tips meegeven:

    • Tip 1: maak gebruik van modelovereenkomsten (contractgenerator);
    • Tip 2: handel zoals weergegeven in de modelovereenkomsten;
    • Tip 3: zorg voor meerdere opdrachtgevers;
    • Tip 4: leun niet te lang te op één opdrachtgever (voor meer dan 70%);
    • Tip 5: blijf niet jarenlang onafgebroken bij één (substantiële) opdrachtgever hangen;
    • Tip 6: maak reclame (website) en presenteer je zakelijk (briefpapier en visitekaartjes).

    Naar alle veelgestelde vragen over de wet DBA

  • De Wet DBA heeft als doel schijnzelfstandigheid voorkomen. De wet geeft kaders over de beoordeling van een arbeidsrelatie.

    Wanneer is sprake van een dienstbetrekking en wanneer kan een opdracht buiten dienstbetrekking worden uitgeoefend.

    Het antwoord op die vraag is in de praktijk echter vaak niet zo eenduidig, omdat er meerdere factoren meewegen in de kwalificatie van de arbeidsrelatie. 

    Als de arbeidsverhouding tussen de praktijkhouder en de waarnemer als een dienstbetrekking wordt gekwalificeerd, betekent dat voor de praktijkhouder dat hij loonbelasting en premies moet afdragen voor de waarnemer. Voor de waarnemer betekent dat, dat hij weliswaar verplicht is verzekerd tegen werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid, maar de fiscale faciliteiten (zelfstandigenaftrek/startersaftrek/mkb-winstvrijstelling) kunnen in beginsel niet worden geclaimd.

    Dienstbetrekking

    Er is sprake van een dienstbetrekking, als de arbeidsrelatie aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoet:

    1. de werkende is onderworpen aan gezag, en
    2. er bestaat een verplichting om de werkzaamheden persoonlijk te verrichten, en
    3. er bestaat een verplichting tot het betalen van loon.

    Uitgaande van de huidige én mogelijk toekomstige fiscale en arbeidsrechtelijke regelingen, staat het vaste waarnemerschap in veel gevallen op gespannen voet met de fiscale regels, al is niet haarscherp te duiden in welke gevallen en onder welke omstandigheden het exact wel of exact niet kan, dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval.

    Als hoofdlijn kan worden aangehouden dat daar waar sprake is van “organisatorische inbedding” van een medewerker, er fiscaal snel sprake is van een dienstverband (organisatorische inbedding wijst op gezag). Jarenlang op een vaste plaats werken als zzp-er kan vaak niet zonder organisatorische inbedding, het is volstrekt normaal dat je dan aanwezig bent bij vergaderingen, werkafspraken maakt, participeert in vakantie- en dienstroosters, vaak eigen patiënten hebt, op de website staat als één van de vaste dokters enzovoorts. 

    Naar alle veelgestelde vragen over de wet DBA

  • Zowel de webmodule als de modelovereenkomsten hebben als doel voorafgaand aan een opdracht duidelijkheid te geven of een opdracht buiten dienstbetrekking kan worden uitgeoefend. De wijze waarop dit gebeurd verschilt echter:

    De webmodule:

    wordt een generiek hulpmiddel voor alle zzp’ers en branches, waardoor middels het invullen van enkele tientallen vragen voorafgaand aan een opdracht duidelijkheid wordt gegeven over de aard van de arbeidsverhouding. Komt uit de webmodule dat de opdracht middels een zzp-constructie kan worden uitgeoefend en werken partijen conform de opgegeven situatie, dan zal de belastingdienst niet achteraf kunnen concluderen dat alsnog loonbelastingen en sociale premies moeten worden betaald. 

    De modelovereenkomsten:

    zijn juist in het leven geroepen als maatwerk voor specifieke situaties zoals in de huisartsenzorg, om bij twijfel over de dienstbetrekking toch samen te kunnen werken buiten dienstbetrekking. In de overeenkomst leggen partijen zaken vast, waardoor het mogelijk wordt om buiten dienstbetrekking met elkaar te werken. De LHV heeft door de belastingdienst goed gekeurde modelovereenkomsten voor u ter beschikking. Wordt conform de overeenkomst gewerkt, dan zal de belastingdienst de samenwerking niet achteraf kwalificeren als zijnde dienstbetrekking.

    Naar alle veelgestelde vragen over de wet DBA

  • Tot 1 januari 2021 is een zogenaamd “handhavingsmoratorium” van de Wet DBA ingesteld. In het najaar bepaald de Overheid of het handhavingsmoratorium mogelijk wordt verlengt, vanwege de pilot met de Webmodule die in het najaar van start gaat.
    Dit betekent overigens niet dat er tot die tijd niet gehandhaafd wordt, maar slechts in beperkte mate en bij specifieke situaties.

    Eerder werd alleen gehandhaafd bij de opdrachtgever die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid liet voortbestaan. Hierna werd het criterium opgerekt door naar drie criteria te kijken: of er sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking, of er sprake is van evidente schijnzelfstandigheid en of er sprake is van opzettelijke schijnzelfstandigheid.

    Aanscherping handhaving

    Per 1 januari 2020 heeft verdere aanscherping op de handhaving plaats gevonden en kan er ook worden ingegrepen bij situaties waarbij er géén sprake is van opzettelijke en evindente schijnzelfstandigheid. Als de belastingdienst meent dat een bepaalde arbeidsrelatie een (fictieve) dienstbetrekking is terwijl de opdracht in zzp-verband wordt uitgeoefend, geeft de inspecteur een aanwijzing. Er zal worden aangegeven wat het manco is en vervolgens krijgen partijen een aantal maanden de tijd om de situatie aan te passen. Dit kan betekenen dat de opdracht moet worden omgezet naar een loondienstverband, dat er bijvoorbeeld aanpassingen gedaan kunnen worden in de wijze waarop men met elkaar samenwerkt, of dat de opdrachtgever de arbeidsrelatie verder verduidelijkt.
    Pas als de aanpassingen niet worden doorgevoerd kan de belastingdienst een sanctie (boete) opleggen en loonbelasting en sociale premies naheffen, eventueel met terugwerkende kracht tot het moment dat de aanwijzing gevolgd had moeten worden. 

    Het is verstandig om als huisartsen met elkaar in gesprek te gaan en voor te sorteren op deze ontwikkelingen. Er zijn in gesprek meer variaties in werkvormen mogelijk die goed aansluiten bij wensen als meer zekerheid, flexibiliteit en verantwoordelijkheden buiten de patiëntenzorg. Wanneer er sprake is van een gezagsverhouding is er meestal sprake van een dienstbetrekking. In de loop van 2020 komt er op de website van de LHV meer informatie beschikbaar over de gezagsverhouding (wanneer wel en geen gezag) en alternatieve werkvormen voor de vaste inzet van huisartsen, als eventueel alternatief voor het “vaste waarnemerschap”.

    Bent u waarnemer?

    Dan is het van belang dat u zich realiseert dat het handhavingsmoratorium enkel betrekking heeft op de Wet DBA (beoordeling of er sprake is van een dienstbetrekking in een specifieke opdracht) en niet op de handhaving van de wet inkomstenbelasting. Dit betekent dat wanneer de belastingdienst een controle uitvoert bij de waarnemer, de belastingdienst wél kan handhaven op het niet aanwezig zijn van ondernemerschap voor de inkomstenbelasting. Zie over het begrip “ondernemer” voor de inkomstenbelasting de veelgestelde vraag Wanneer bent u volgens de belastingdienst zzp’er?

    Stel dat de belastingdienst dus constateert dat u als waarnemer géén ondernemer was, kunnen met terugwerkende kracht de ondernemersvoordelen worden teruggevorderd (zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-vrijstelling), eventueel nog verhoogd met een boete.

    Naar alle veelgestelde vragen over de wet DBA

  • Of u nu als DGA (directeur – grootaandeelhouder) vanuit een eigen BV werkt, of vanuit uw eenmanszaak, dat maakt niet zo heel veel uit. In beide gevallen kan de Belastingdienst de feitelijke arbeidsrelatie van u als waarnemer met de opdrachtgever toetsen en oordelen dat er sprake is van een dienstbetrekking. De belastingdienst “prikt” hier dus kort gezegd doorheen. Dit laatste is ook bevestigd door rechtspraak van na 2016 (het jaar waarin de Wet DBA van toepassing werd).  

    Hiernaast is het van belang dat u zich realiseert dat het starten of het overstappen naar een BV als rechtsvorm fiscaal pas interessant is wanneer u als zzp’er een behoorlijke winst maakt. Er zijn immers een aantal belastingvoordelen zoals MKB winstvrijstelling, startersaftrek en ondernemersaftrek waarvan een eenmanszaak wél gebruik van kan maken maar een BV niet. 

    De belangrijkste reden hiervoor is dat u als eigenaar en directeur in loondienst komt van uw eigen BV. Over het salaris moet u dan ook loonbelasting en sociale premies afdragen. Daarna moet er nog vennootschapsbelasting en dividendbelasting worden afgedragen. Het is dus goed om van tevoren precies uit te rekenen of het onderaan de streep wel zo gunstig is om als ZZP´er te kiezen voor een rechtsvorm met rechtspersoonlijkheid. Als omslagpunt wordt veelal een winst van grofweg E 120.000 per jaar genomen. Voor de meeste waarnemers zal dat omslagpunt niet worden gehaald. Dit is overigens een absoluut getal, er is dus géén deeltijdfactor of iets dergelijks.   

    Zichzelf vanuit de BV een zo laag mogelijk loon om zo minder belasting en lagere sociale premies af te dragen werkt niet. De belastingdienst zal altijd kijken naar “gebruikelijk salaris” en zal over dit loon de loonbelasting, de premie volksverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet inhouden.

  • Zodat er enige continuïteit van zorg kan worden behouden en overbruggingsopties voor associëren te faciliteren?

    In de wet DBA worden geen specifieke tijdsindicaties gegeven. Het is dus niet zo dat indien er bijvoorbeeld 1,5 jaar wordt waargenomen de Belastingdienst de arbeidsrelatie zal kwalificeren als dienstbetrekking. In de praktijk wordt holistisch getoetst. Dit houdt in dat naar meerdere aspecten gekeken zal worden. Zelfs in de webmodule is tijdsduur geen doorslaggevend element om te spreken van een dienstbetrekking.

    In deze vraag zijn meerdere elementen van belang:

    • Bent de waarnemer ondernemer en wordt gestreefd naar continuïteit? De intentie om te associëren duidt op het streven naar continuïteit en voortzetting van het ondernemerschap.
      Hoe concreter de intentie, hoe beter.
    • Is er sprake van gezag? Indien er lange tijd bij 1 opdrachtgever wordt gewerkt en deze opdrachtgever een groot deel van uw inkomen verzorgt, is het risico hierop groter.
      De ZZP’er raakt financieel afhankelijk van de opdrachtgever, zal veelal vermeld worden op  de website, neemt u deel aan praktijk overleggen etc.

    In de memo toetsing arbeidsrelatie waarnemer leest u alle elementen die in de toetsing mee wegen.

    HIDHA worden voor de tussenliggende periode is mogelijk niet geheel aan te raden, indien de intentie is om te associëren. Hiermee wordt namelijk de continuïteit van de onderneming (waarnemer) onderbroken. Door gebruik te maken van onze modelovereenkomsten en voldoende aandacht te schenken aan het ondernemerschap (meerdere opdrachtgevers, naar buiten toetreden als ondernemer etc.) kan de periode mogelijk worden overbrugt.

  • Wij krijgen veel vragen over het vaste waarnemen. Bijvoorbeeld: kan een constructie, waarbij ieder jaar een contract wordt afgesloten en in dat jaar bijvoorbeeld een periode van 4 of 6 weken niet werkzaam bent. Dit zodat je niet een jaar lang officieel op die plek zit? Welke mogelijkheden/constructies zijn er te bedenken om toch waarneming voor langere duur in eenzelfde praktijk te kunnen doen met behoud van zelfstandigheid?

    Het moeilijke aan de beantwoording van deze vragen is dat er in de praktijk holistisch getoetst wordt door de Belastingdienst, dan wel de Rechter. Ofwel meerdere elementen worden meegewogen in de vraag of er sprake is van een dienstbetrekking. Als LHV kunnen wij dan ook geen zwart-wit antwoord geven over wanneer er wel of geen sprake is van een dienstbetrekking. In de memo toetsingen arbeidsrelatie waarnemer, worden voor u alle elementen op een rij gezet.


    De memo helpt u in kaart te brengen hoe u de risico’s voor uzelf zo klein mogelijk kunt maken. Ofwel hoe u wel kunt blijven waarnemen, of hoe u een waarnemer wel kunt inzetten in uw praktijk. Daarbij moeten wij opmerken dat langdurig waarnemen op één plek een risicofactor is die meeweegt.

    De constructie om per jaar 4 of 6 weken niet werkzaam te zijn is overigens geen oplossing. Er zal altijd worden getoetst wat de intentie is van partijen (langdurige samenwerking kan duiden op schijnzelfstandigheid) en hoe partijen in de praktijk met elkaar samenwerken. Is in die samenwerking sprake van meerdere elementen die duiden op een dienstbetrekking (te denken aan organisatorische inbedding, uitvoering van werkzaamheden die een wezenlijk onderdeel vormen van de bedrijfsvoering, met naam en toenaam op de praktijkwebsite etc.), dan neemt het risico toe dat de arbeidsrelatie wordt geduid als dienstbetrekking in plaats van als overeenkomst van opdracht. De doorbreking van een tijdelijke periode veranderd hier niets aan.  

    Als LHV kunnen wij niet het juridische kader veranderen. In de wet is vastgelegd wanneer een arbeidsrelatie wordt geduid als dienstbetrekking (sprake van loon, persoonlijke uitoefening van de werkzaamheden en gezag). Wel zetten wij als LHV in op behoud van de modelovereenkomsten en onderzoeken wij met de Belastingdienst de mogelijkheid voor een goedgekeurde modelovereenkomst praktijkmedewerking. Deze komt naast de overeenkomst voor duurwaarneming en de overeenkomst voor incidentele waarneming te staan. Het meest in het oog springende onderscheid is, dat de overeenkomst voor praktijkmedewerking een onbepaalde looptijd kent. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

  • Ook hier geldt dat de Belastingdienst zal kijken naar de elementen die worden benoemd in de memo toetsingen arbeidsrelatie waarnemer. Als de intentie is om langdurig met elkaar samen te werken, neigt dit sneller naar schijnzelfstandigheid dan naar de intentie om als ondernemer te werken. Denk hierbij aan het lopen van ondernemersrisico’s, acquisitie plegen, continuïteit van de onderneming veilig stellen etc. Voor de duiding van de arbeidsrelatie is niet zo zeer de hoeveelheid opdrachtgevers van belang, maar met name de vraag: is er sprake van (formeel)gezag. Werken partijen langdurig met elkaar samen dan is het risico op (formeel) gezag groter.

    Van belang als waarnemer is dus om in kaart te brengen: wil ik ondernemer zijn en hoe geef ik invulling aan mijn ondernemerschap?
    En als praktijkhouder is het van belang om na te gaan wat de intentie is van de inzet van een waarnemer: is dit langdurig samenwerken? Dan sluit langdurige inzet van een waarneming hier om juridische en fiscale redenen niet goed bij aan. Maar past het aangaan van een arbeidsrelatie of associëren mogelijk beter. Is de intentie om ziek en piek op te vangen, dan is dit een juridische samenwerkingsvorm die zeker past en naar de mening van de LHV ook altijd mogelijk moet zijn.

  • In deze situatie is het zeker goed mogelijk om de oude praktijkhouder voor een bepaalde duur te laten waarnemen in de eigen praktijk. Wel is het hierbij raadzaam om de elementen waaraan de arbeidsrelatie wordt getoetst in ogenschouw te nemen. Zie de memo toetsingen arbeidsrelatie waarnemer.

Verwijzing SO en AVG voor patiënten die thuis wonen

  • Bij de hervormingen van de langdurige zorg is in 2016 een aantal zorgvormen ondergebracht in de tijdelijke subsidieregeling Extramurale behandeling. Zo kon deze zorg geleverd blijven worden, terwijl uitgezocht werd wat deze zorg precies omvat en waar de financiering van deze zorg thuishoort.

    De zorg betreft generalistische geneeskundige zorg voor specifieke, kwetsbare doelgroepen die thuis wonen. Deze patiënten hebben geen Wlz-indicatie en komen daar ook (nog) niet voor in aanmerking, omdat zij (nog) geen 24-uur toezicht en zorg in de nabijheid nodig hebben. Zij hebben wel (integrale) zorg nodig om zelfstandig te kunnen functioneren.

    Bij deze zorg is aandacht voor het verbeteren van functionele autonomie, voorkomen van verergering van de beperkingen en het leren omgaan met de (voortschrijdende) beperkingen.

    Begin dit jaar zijn eerst de SO en AVG overgeheveld naar de Zvw met de daarbij behorende regels. Dit houdt onder andere in dat kosten voor de behandeling ten laste komen van het eigen risico en dat er afspraken moeten worden gemaakt met verzekeraars en niet meer met zorgkantoren. De zorg voor de patiënt door de SO en AVG en de samenwerking met de huisarts wijzigt niet.

    Later, per 1 januari 2021, gaan ook de verschillende dagbehandelingen, gedragswetenschapper en paramedische zorg uit de subsidieregeling over naar de Zvw. In 2020 blijft deze zorg toegankelijk via de subsidieregeling Extramurale behandeling.

    2020

    2021

    SO via Zvw

    SO via Zvw

    AVG via Zvw

    AVG via Zvw

    Dagbehandeling via subsidieregeling

    Dagbehandeling via Zvw

    Gedragswetenschapper via subsidieregeling

    Gedragswetenschapper via Zvw

    Paramedische zorg via subsidieregeling

    Paramedische zorg via Zvw

  • De zorg betreft generalistische geneeskundige zorg voor specifieke, kwetsbare doelgroepen die thuis wonen. Deze patiënten hebben geen Wlz-indicatie en komen daar ook (nog) niet voor in aanmerking, omdat zij (nog) geen 24-uur toezicht en zorg in de nabijheid nodig hebben. Zij hebben wel (integrale) zorg nodig om zelfstandig te kunnen functioneren.

    Denk aan:

    • ouderen met multiproblematiek,
    • mensen met progressieve, degeneratieve neurologische aandoeningen (zoals de ziekte van Parkinson, de ziekte van Huntington, de ziekte van Korsakov en multiple sclerose),
    • mensen met niet aangeboren hersenletsel en;
    • mensen met een verstandelijke beperking ongeacht de leeftijd (de medische zorg, diagnostiek en opstellen van het behandelplan), ook het diagnostische proces rond een nog ongespecificeerde klacht bij een verstandelijke beperking voor jeugdigen valt binnen de Zvw, ook als hierbij gedragsmatige of psychologische deskundigheid wordt ingezet. Alleen de psychische/gedragsmatige behandeling voor patiënten jonger dan 18 jaar valt onder de jeugdwet.
  • De SO en AVG leveren generalistische geneeskundige zorg met specifieke kennis over de zorg voor kwetsbare ouderen of mensen met een verstandelijke beperking of chronische ziekte. Net zoals dat u verwijst naar de medisch specialistische zorg of andere eerstelijnszorg als u aanvullende deskundigheid nodig heeft, kunt u ook naar de SO en AVG verwijzen.

  • Op de websites van Verenso (SO) en de NVAVG (AVG) zijn overzichten te vinden met poliklinieken en artsen.

  • Hiervan zijn geen overzichten beschikbaar.

    Om te kunnen voldoen aan de zorgplicht zullen verzekeraars voldoende aanbod inkopen voor hun verzekerden. Verzekeraars hebben een zelfstandig contracteringsbeleid. Verschillen tussen verzekeraar zijn daardoor mogelijk en zijn niet te voorkomen.

    Met verzekeraars is afgesproken dat in ieder geval het aanbod dat onder de subsidieregeling door zorgkantoren werd ingekocht, ook wordt ingekocht door zorgverzekeraars. Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat, mochten er signalen binnenkomen over tekorten, zij gedurende het jaar aanvullend zullen inkopen.

    Voor informatie over welke SO’s en AVG’s voor u beschikbaar zijn, kunt u ook contact opnemen met de zorgverzekeraar.

  • De SO en AVG leveren generalistische geneeskundige zorg met specifieke kennis over de zorg voor kwetsbare ouderen of mensen met een verstandelijke beperking of chronische ziekte. Dit vergroot de mogelijkheden om deze kwetsbare mensen langer thuis te laten wonen. De huisarts bepaalt of het nodig is om deze specifieke deskundigheid in te zetten en de patiënt te verwijzen. Het kan dan gaan om een interdisciplinair overleg of verwijzing naar de SO of AVG voor diagnostiek of een geriatrisch assessment, of om te bepalen of een patiënt een zorg- en behandelplan nodig heeft. Als een zorg- en behandelplan nodig is, houdt de SO of AVG de regie, dit valt niet onder de reguliere huisartsenzorg.

  • De zorg die de SO en AVG aan niet-Wlz patiënten leveren, valt onder het eigen risico. Tijdens het gesprek met de patiënt en/of mantelzorger kunt u hen hierover informeren.

    Het eigen risico is van toepassing, omdat er specifieke kennis wordt geboden aan specifieke doelgroepen. Deze kennis is beschikbaar na doorverwijzing van de huisarts. Er is daarom geen reden om de SO en AVG uit te zonderen van het verplicht eigen risico.

    Het is goed om te weten dat deze patiëntengroepen, door hun complexe zorgvraag, al vaak hun eigen risico opmaken. Daarnaast hebben mensen met een laag inkomen recht op zorgtoeslag.

    Wanneer de zorg door de SO onderdeel is van een integrale ketenzorg en het dus de zorggroep is die declareert (prestaties in segment 2, beschreven in de Beleidsregel huisartsenzorg en multidisciplinaire zorg 2020 (BR/REG-20133)), dan gelden de regels van de multidisciplinaire zorg en geldt er geen eigen risico. De SO kan zijn zorg via onderlinge dienstverlening declareren bij de zorggroep.

  • Als u advies inwint bij de SO of AVG moet u hiervoor toestemming vragen aan de patiënt en/of mantelzorger. Het is goed hen te informeren dat dit ten laste komt van het eigen risico.

  • Voor de huisarts verandert er niets, de reguliere prestaties blijven gelden. Overleg met andere zorgaanbieders en de tijd die daarvoor nodig is, zit verwerkt in de tarieven van de andere prestaties (bijvoorbeeld het inschrijftarief).

    De SO en AVG kunnen zelfstandig declareren via de prestaties van de NZa. Per 1 januari 2020 valt de zorg geleverd door de SO en de AVG onder het basispakket. Voor de zorg geleverd door de SO of AVG geldt het eigen risico.

  • Verzekeraars hebben een zelfstandig contracteringsbeleid. Verschillen tussen verzekeraars zijn daardoor mogelijk en zijn niet te voorkomen.

    Alle verzekerden hebben recht op dezelfde zorg in het basispakket. Om dat te realiseren kopen zorgverzekeraars zorg in voor hun eigen verzekerden. Indien er niet binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang is tot deze zorg, kunt u uw patiënt informeren dat zij hierover contact met de verzekeraar kunnen opnemen. Mocht dit niet helpen, dan kunt u hiervan melding maken bij de Nederlandse Zorgautoriteit.

  • Als de SO of AVG waar de patiënt naartoe wil geen contract heeft met de zorgverzekeraar van de patiënt, dan kan de vergoeding uit de basisverzekering lager zijn dan wanneer de patiënt naar een gecontracteerde zorgverlener gaat. De patiënt kan dit nagaan bij zijn/haar zorgverzekeraar.

    Zorgverzekeraars hebben aangegeven dat, mochten er signalen binnenkomen over tekorten, zij gedurende het jaar aanvullend zullen inkopen.

  • Uitgangspunt is dat de zorg gewoon kan doorgaan met dezelfde behandelaar. Wel heeft dit per 1 januari 2020 consequenties voor het eigen risico.

    Hierover kunt u uw patiënten informeren. Het is goed om te weten dat deze patiëntengroepen, door hun complexe zorgvraag, al vaak hun eigen risico opmaken.

    Voor de zorg die overgaat per 1 januari 2021 wordt nog gekeken hoe het beste omgegaan kan worden met de overgang. Ook hier is het borgen van de continuïteit van zorg het uitgangspunt.

  • Ja, dat is mogelijk.

    Voor de inzet van de gedragswetenschapper om te komen tot een diagnose kan er indicatievrij een beroep op hem/haar worden gedaan. Als de gedragswetenschapper vervolgens wordt ingezet voor de behandeling, is er wel een indicatie nodig. Vanaf 1 januari 2021 zal ook de gedragswetenschapper overgaan naar het basispakket van de Zvw en kan de huisarts de patiënt rechtstreeks verwijzen.

Substitutie

  • In alle zorgakkoorden 2019-2022 wordt het belang van het opgang brengen van de beweging de juiste zorg op de juiste plek genoemd. Het rapport van de VWS-Taskforce is leidend voor de in gang te zetten ontwikkeling.

    Gezien grote regionale verschillen wordt de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de juiste zorg op de juiste plek overgelaten aan regionale zorgverzekeraars en zorgaanbieders. Voor de huisartsenzorg is een richtinggevende inhoudelijke agenda opgesteld. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars geven hieraan regionaal invulling. Door te bespreken of het onderwerp ook in de regio speelt en of het wenselijk is over het onderwerp (welke) afspraken te maken. Het gaat om: meer tijd voor de patient, de zorg in avond-, nacht- en weekenduren, het versterken van de organisatiegraad van de eerste lijn, zorg voor kwetsbare groepen en ICT-infrastructuur.

    Op landelijk niveau gaan opgepakt worden: digitalisering in de huisartsenzorg &ICT-zorginfrastructuur, kwaltiteit &transparantie en kennisvergroting&onderzoek.

    De mate waarin de thema’s van de inhoudelijke agenda in de regio worden uitgewerkt en de ontwikkelingen in het contracteerproces huisartsenzorg worden gemonitord door de NZa.

  • U kunt hiervoor contact opnemen met de geschillencommissie. Verder adviseren wij u uw bezwaren kenbaar te maken aan uw brancheorganisatie.

  • Ja, het belangrijkste doel van substitutie is zorgen dat patiënten de zorg op de juiste plek krijgen. Waar mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving. Daarom kan de betrokkenheid van een patiëntvertegenwoordiger heel nuttig zijn. 

  • Betrek de zorgverzekeraar zo snel mogelijk bij substitutieplannen. Zodat samen de mogelijkheden in een vroeg stadium kunnen worden besproken.

  • Ziekenhuisbestuur en medisch specialisten moeten samen bepalen welke zorg gesubstitueerd kan worden en wie het aanspreekpunt is. De tripartiete afspraken worden gemaakt met het ziekenhuis omdat de medisch specialist in de regel geen contracterende partij is. In sommige gevallen kan dit via het Medisch Specialistisch Bedrijf lopen. 

  • Hierover maakt u afspraken met de verzekeraar op het moment dat u het project met elkaar bespreekt.

  • Naast de feitelijke kosten voor de geleverde zorg kunnen ook projectkosten, investeringen en frictiekosten worden opgenomen. Dit in overleg met de zorgverzekeraar. 

  • De aanvraag kunt u per mail indienen bij de zorgverzekeraar die marktleider is in uw regio (preferente verzekeraar voor huisartsen). Gebruik hiervoor het format op www.lhv.nl/substitutie. Wel adviseren wij u voordat u aan het werk gaat contact op te nemen met uw zorginkoper/regionale contactpersoon van uw verzekeraar. Zodat u weet dat uw aanvraag op de juiste manier ontvangen wordt.

  • We hebben een aantal randvoorwaarden geformuleerd. Waarbij we focussen op kwaliteit van zorg, samenwerking, kennis en kunde. 

    Criteria

    Categorie 1: over het maken van keuzes voor het verkennen van substitutiemogelijkheden van zorg activiteiten

    1. De omschrijving dient specifiek te zijn. Dat betekent dat duidelijk moet zijn over welke activiteiten/handelingen het gaat, voor welke doelgroep het geldt en in welke fase van het ziekteverloop het aan de orde is.
    2. De keuzes moeten tripartite ondersteund worden. De punten onder criterium 1 moeten in tripartiet verband worden vastgesteld.

    Categorie 2: over het proces van operationaliseren

    1. Tripartite besluitvorming en betrokkenheid bij het starten, monitoren en zo nodig stoppen is noodzakelijk. Er dient ruimte te zijn voor wetenschappelijke verenigingen en betreffende patiëntenorganisaties, zowel op nationaal als lokaal niveau.
    2. Het precieze moment/de fase in het ziekteverloop waarvoor de zorgactiviteit mogelijk gesubstitueerd kan worden dient duidelijk te zijn.
    3. Aansluiting bij bestaande transmurale afspraken is nodig.
    4. Bekijken per activiteit het doel, de doelgroep, de fase van het ziekteverloop en de bestaande situatie in de regio om keuzes te maken.
    5. Maak afspraken met zowel de eerste als de tweede lijn, nooit met slechts één van beiden.

    Categorie 3: algemene criteria

    1. Zorg voor goede gegevensuitwisseling.
    2. De kwaliteit dient minimaal gelijk te blijven en moet voor gerechtvaardigd vertrouwen inzichtelijk worden gemaakt: geen substitutie zonder rekenschap te geven.
    3. De winst van substitutie dient te zijn dat zorg dichterbij de mensen kan worden geleverd én bijdraagt aan efficiëntie en effectiviteit van zorg.
    4. Goede samenwerking tussen de lijnen is noodzakelijk. Er dient soepel geschakeld te kunnen worden. De expert/specialist waakt op afstand en is eenvoudig in te schakelen. Dat betekent dat zodra het nodig is iemand in plaats van bijvoorbeeld in de eerste lijn in de tweede lijn in behandeling komt.
    5. Er is aansluiting nodig op multidisciplinaire en transmurale richtlijnen en werkwijzen en tussen richtlijnen die in de eerste en tweede lijn worden gehanteerd.
    6. Kennis en vaardigheden van de zorgverlener die de zorg overnemen dienen aan dezelfde of hogere kwaliteitseisen te voldoen als de huidige situatie. Verslechtering is uitgesloten. Er dienen dus indicatoren te zijn die dit inzichtelijk maken. Eisen en normen voor de uitkomst van zorg gelden voor de zorg en niet voor één specifieke discipline!
  • Op www.zorgopdejuisteplek.nl kunt u alle informatie met betrekking tot substitutie vinden. Mocht u een substitutie-initiatief willen aanmelden voor deze website, dan kan dat via info@zorgopdejuisteplek.nl.

Cao Hidha

Cao Huisartsenzorg

  • Uitgangspunt is dat de functie van triagist wordt ingedeeld in schaal 5. 

    Indien voor 1 januari 2018 de werknemer al aanspraak had op een toeslag van 2% of 4% wegens het behaald hebben van het triagediploma wordt die toeslag omgezet in een extra salaristrede. Indien men de maximum trede van de schaal heeft bereikt, wordt nog een trede daarboven toegekend. Deze extra salaristrede wordt toegekend ongeacht de herregistratie van het diploma.

    Voorbeelden

    • Een triagist zit in schaal 5 trede 11 (loon € 2.585,00). Hij/zij behaalt op 1 maart 2018 het InEen diploma. Hij/zij krijgt per onmiddellijke ingang een salaristrede erbij en komt dus in schaal 5 trede 12 (loon € 2.699,00).
    • Een triagist zit in schaal 5 trede 14 (loon € 2.933,00). Hij/zij behaalt op 1 maart 2018 het InEen diploma. Hij/zij zit dan al in de hoogste tree en krijgt per onmiddellijke ingang de (fictieve) extra trede erbij. Dat is regel 15 (loon € 3.0049,00).

    Indien na 1 januari 2018 het InEen triagediploma wordt behaald, wordt een extra salaristrede toegekend en geldt ook hier dat indien de maximum trede in de schaal is bereikt, nog een trede daarboven wordt toegekend. Indien niet tot tijdige herregistratie wordt overgegaan, vervalt per de volgende maand de extra salaristrede (die termijn verschuift bij uitstel of dispensatie).

    Het vervallen van de extra trede, indien na 1 januari 2018 het InEen diploma wordt behaald maar niet voor (tijdige) herregistratie wordt gezorgd, is eigenlijk dubbelop. De triagist zal vanaf dat moment immers de werkzaamheden als triagist niet meer kunnen uitoefenen - waarna de werkgever andere maatregelen moet nemen dan het intrekken van een toelage, aangezien de werknemer niet meer inzetbaar is als triagist. Ten aanzien van het functioneren dient de procedure te worden gevolgd van artikel 4.6 lid b van de cao,  en meer in het algemeen arbeidsrechtelijk dat de werkgever de werknemer de reële kans moet bieden het functioneren op peil te houden c.q. te verbeteren (onder andere door middel van scholing). De werkgever is bovendien conform artikel 6.5 verplicht de kosten van de herregistratie te vergoeden. M.a.w. het kwijtraken van de registratie mag eigenlijk niet voorkomen en moet echt de ‘eigen schuld ‘ zijn van de werknemer, en dan nog is de vraag of de ingrijpende maatregel van het afnemen van loon (de toeslag) aan de orde kan zijn. 

  • In hoofdstuk 8, artikel 8.1 staat beschreven dat bij een arbeidsduur van 38 uur per week de werknemer recht heeft op 152 wettelijke vakantie-uren en 38 bovenwettelijke vakantie-uren per jaar.
    Bij een 38-urige werkweek is het recht op vakantie dus 190 uur.

    Een jaar telt 52 weken x 38 uur= 1.976 uur. Per meeruur wordt 1/1.976 x 190= 0,096 uur vakantie-uur opgebouwd.

  • Bij arbeidsongeschikte werknemers die gedeeltelijk hun eigen werk kunnen verrichten, kunnen bij het opnemen van de vakantie de vakantiedagen voor de gehele arbeidsduur, en niet alleen voor de uren dat er daadwerkelijk arbeid wordt verricht, in mindering gebracht worden.

    De verplichting van de werkgever om medewerkers in de gelegenheid te stellen om hun wettelijk vakantiedagen op te nemen, geldt onder de nieuwe wetgeving ook voor zieke werknemers. Doordat de zieke werknemer per 1 januari 2012 volledig verlof opbouwt gedurende de ziekteperiode, is het logisch dat als de medewerker wordt vrijgesteld van zijn re-integratieverplichtingen hij daarvoor vakantieverlof dient op te nemen.

    Voor zieke medewerkers is het opnemen van vakantie van belang. Immers vakantie heeft ook voor hen een herstelfunctie. Zieke werknemers moeten re-integratie-inspanningen verrichten. Voor deze re-integrerende medewerkers heeft vakantie hetzelfde doel als voor gezonde werknemers, namelijk: herstellen, c.q. uitrusten van verplichtingen voortvloeiende uit de dienstbetrekking, ook al zijn dat andere verplichtingen dan het verrichten van de eigen arbeid. Als de zieke medewerker tijdelijk vrijgesteld wil worden van zijn verplichting tot re-integratie dient hij vakantie op te nemen net als de (gezonde) medewerker een dagje vrij wil.
     
    Wanneer de werknemer echter volledig ziek is en deze kan niet genieten van zijn vakantie of neemt geen vakantie op, dan worden deze uren niet afgetrokken van het vakantiesaldo. 

  • Wanneer uw doktersassistente in de dagpraktijk een door InEen erkend diploma heeft behaald, dan heeft uw medewerker onmiddellijk aanspraak op een extra salaristrede. Verwezen wordt naar vraag 2 hierboven.

  • De eindejaarsuitkering bedraagt 6 procent over het verdiende jaarsalaris.

    Het jaarsalaris is de som van 12 keer het basissalaris, vermeerderd met de persoonlijke toeslag, de onregelmatigheidstoeslag, ANW-toeslag, gemiddelde van de vergoedingen voor de overuren en de meeruren over de voorafgaande 12 maanden, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

  • Met ingang van 1 januari 2012 bouwen (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte werknemers de wettelijke vakantiedagen volledig op. Daarnaast geldt er per 1 januari 2012 voor de wettelijke vakantiedagen een vervaltermijn van 6 maanden na het opbouwjaar. Dit betekent dat de wettelijke vakantiedagen (die vanaf 1 januari zijn opgebouwd) voor alle werknemers per 1 juli van het daaropvolgende jaar vervallen indien deze niet zijn opgenomen, tenzij de werknemer redelijkerwijs niet in staat was de vakantiedagen op te nemen.

    Voor de bovenwettelijke vakantiedagen blijft een verjaringstermijn van 5 jaar bestaan.

    De wettelijke vakantiedagen worden geacht het eerst opgenomen te worden.

  • Bij (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid worden verlofdagen volledig opgenomen en wordt geen percentage toegepast van betermelding. Een medewerker bouwt dus volledig op tijdens ziekte en neemt ook volledig vakantie op tijdens ziekte.

  • Een WIA-uitslag van het UWV betekent niet automatisch dat de arbeidsovereenkomst met uw medewerker eindigt. Als uw werknemer langer dan 2 jaar ziek is, houdt de verplichte loondoorbetaling op. Ook het ontslagverbod houdt op en u mag uw werknemer ontslaan. Wanneer u afscheid wilt nemen van deze medewerker dan adviseren wij u om contact op te nemen met een jurist. U dient bij het UWV toestemming te vragen om uw medewerker te ontslaan na 2 jaar ziekte. Doe dit meteen nadat de WIA-uitslag binnen is en laat u hierbij adviseren door een jurist.

  • Het advies is om een opleidingsovereenkomst te sluiten met uw medewerker en vooraf duidelijke afspraken te maken over de functie van deze medewerker na het behalen van het diploma.

    U bepaalt zelf als werkgever of er een (gedeeltelijke) vacature is in uw praktijk voor de functie van praktijkondersteuner. U dient met de mogelijkheid rekening te houden dat uw medewerkster niet slaagt voor de opleiding. Uw doktersassistent kan na het behalen van haar diploma volledig blijven werken als doktersassistent. In dit geval blijft haar salaris en functie ongewijzigd. Een tweede mogelijkheid is dat uw doktersassistent, na het behalen van haar diploma, gedeeltelijk werkt als praktijkondersteuner. In dit geval geeft u haar een nieuwe arbeidsovereenkomst naast haar bestaande overeenkomst als doktersassistent. Dit betekent dat zij dan dus twee contracten heeft met een verschil in functie en de daarbij behorende arbeidsduur en salaris. Een derde mogelijkheid is dat u haar functie volledig wijzigt in praktijkondersteuner en haar een nieuwe arbeidsovereenkomst aanbiedt.

  • Alle werknemers in de huisartsenzorg hebben recht op scholing met uitzondering van huisartsen, huisartsen in opleiding en stagiairs.

  • Volgens de Cao Huisartsenzorg hebben uw werknemers jaarlijks recht op 20 uur nascholing, als zij meer dan 8 uur per week bij u in dienst zijn en op 10 uur scholing als zij 8 uur of minder per week bij u werkzaam zijn.

  • U bepaalt in overleg met de werknemer, ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging welke scholing verplicht is voor de uitoefening van de functie. Verplichte scholing vindt plaats onder werktijd of wordt gecompenseerd in geld of vrije tijd. Voor de opleidingstijd wordt het gebruikelijke uurloon aan de werknemer betaald.

    De 20 uur kan ook deels besteed worden aan niet-verplichte loopbaangerichte scholing. De kosten zijn dan nog steeds voor u als werkgever, maar de scholing vindt in eigen tijd van de werknemer plaats.

  • In de Cao Huisartsenzorg zijn geen aanvullende afspraken rondom pauzes opgenomen. Daarom geldt hier de Arbeidstijdenwet.

    Bij personen ouder dan 18 jaar geldt in de arbeidstijdenwet:
    Indien meer dan 5,5 uur per dienst gewerkt wordt heeft deze persoon recht op minimaal 30 minuten pauze of 2 keer 15 minuten.
    De Cao Huisartsenzorg/LHV geeft geen bijzondere aanknopingspunten, behalve dan dat alleen in positieve zin voor werknemer kan worden afgeweken.

    In de praktijk is het meestal zo, dat iemand die 8 uur werkt per dienst 8,5 uur aanwezig is. In dat extra half uur wordt dan gelunchd. Dat is voor eigen rekening. En er wordt 1 keer  ’s-ochtends en 1 keer  ’s-middags koffie- en theepauze van 15 minuten genomen voor rekening werkgever.

    De arbeids- rust en pauze tijden dienen schriftelijk te zijn neergelegd zodat ieder ervan kan kennis nemen.

    In de zorg geldt ook nog aanwezigheidsdienst c.q. bereikbaarheidsdienst. Dan dient werknemer op de werkplek te blijven. Dit geldt als werktijd.

    Gewoonterecht

    Indien de huisarts de pauzes in overeenstemming wil brengen met bovenstaande (wettelijk minimum) dient dit uiteraard in goed overleg met werknemers besproken te worden. Ingeval van zwaar psychisch of lichamelijk werk is het goed werkgeverschap dat de pauzes wat ruimer gesteld worden. De nieuwe regeling dient minimaal een maand van te voren bekend te zijn voorafgaand aan inwerkingtreding.

    Doorbetaling tijdens pauzes

    In de Arbeidstijdenwet staat niets over doorbetalen tijdens de pauzes. Pauzes maken geen deel uit van werktijd. De werkgever hoeft de pauze niet door te betalen. U kunt ook kijken of er iets is opgenomen in de arbeidsovereenkomsten van uw medewerkers.
    De volledige tekst vindt u op de website van de rijksoverheid. In de cao zijn geen afspraken gemaakt over het doorbetalen tijdens pauzes waardoor geldt dat pauzes geen deel uitmaken van de werktijd en derhalve onbetaald zijn.

  • Het pensioengevend salaris is de som van twaalf maal het basissalaris, vermeerderd met ANW-toeslag, toelage gediplomeerde triage-assistenten en het gemiddelde van de vergoeding voor overuren en meeruren over de voorafgaande 12 maanden te vermeerderen met 8 procent vakantiegeld en de eindejaarsuitkering (6 procent in 2016).

  • De verdeling bedraagt 50 procent - 50 procent.

  • De verplichtstelling voor huisartsen om werknemers aan te melden bij het pensioenfonds geldt vanaf mei 1997. Voor die tijd was u dus niet verplicht om uw medewerkers bij het pensioenfonds aan te melden.

Goodwill

  • Er is onder huisartsen veel onduidelijkheid over wat goodwill nu precies is. Het wordt op verschillende manieren uitgelegd. De meest eenvoudige definitie is dat goodwill het verschil is tussen de totaal verschuldigde koopsom en de waarde van de roerende en onroerende zaken. Oftewel er wordt niet alleen voor de waarde van de goederen die worden gekocht betaald, zoals de inventaris van de praktijk en zelfs mogelijk het praktijkpand, er wordt ook betaald voor (de meerwaarde van) de onderneming.

    Volgens een definitie van de Hoge Raad is goodwill een betaling voor de winstcapaciteit van de onderneming die uitgaat boven:

    • een normaal rendement op het daarin belegde vermogen, én
    • boven een normale beloning voor arbeid van de ondernemer.

    Degene die goodwill betaalt, is dus bereid om de 'overwinst' die hij verwacht in de toekomst te gaan maken, bij de aankoop van het bedrijf geheel of gedeeltelijk af te staan aan zijn voorganger. In het werkveld zien wij dat hiervoor soms ook wel de term “economische meerwaarde” wordt gebruikt. “Economische meerwaarde” is derhalve een vorm van goodwill. 

  • Tot 1987 was het gebruikelijk om bij overname van een huisartsenpraktijk goodwill te betalen. Het ministerie van VWS en de LHV hebben in 1985 echter een convenant gesloten om goodwill met ingang van 1 januari 1987 af te schaffen. Dit was mogelijk doordat in 1973 de verplichte collectieve pensioenregeling voor huisartsen in het leven was geroepen.

    Wettelijke verankering van deze afspraak vond plaats door in de Ziekenfondswet een bepaling op te nemen dat huisartsen geen goodwill meer mochten bedingen. Ook werd in de contracten tussen ziekenfondsen en huisartsen een verbod tot het ontvangen en betalen van goodwill opgenomen. Dit verbod kon echter omzeild worden door de goodwillbetaling niet op te nemen in de koopovereenkomst en hier een losse overeenkomst voor te sluiten, of te kiezen voor betaling van extra hoge overnamekosten.

    Ter compensatie van de huisartsen die bij vestiging in het verleden goodwill hadden betaald, is indertijd het Goodwillfonds opgericht, zodat zij geen financiële nadelen zouden ondervinden van het goodwill verbod. Voor de vertrekkende huisarts was de goodwill immers vaak een belangrijk deel van zijn pensioen. Huisartsen die vóór 1 januari 1987 praktijkeigenaar waren, hebben over het algemeen uit dit fonds een compensatievergoeding gekregen, dit ter compensatie voor de goodwill die ze bij vestiging veelal hadden betaald.  

  • Sinds het opheffen van de Ziekenfondswet en de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet op 1 januari 2006 is er geen wettelijk verbod meer gericht tegen het vragen of betalen van goodwill. Als gevolg hiervan is het fenomeen weer de kop op gestoken en wordt er – overigens veelal wel afhankelijk van de geografische locatie van de praktijk – weer vaker goodwill gevraagd (al horen wij dat ten gevolge van het lastiger kunnen vinden van opvolgers ook weer een afnemende of prijsdrukkende tendens van dit fenomeen wordt gezien). Wel is dit verbod in enkele van de contracten tussen huisartsen en zorgverzekeraars nog steeds opgenomen.

    Voor de huisartsen die een compensatie hebben gekregen uit het goodwillfonds (de meeste huisartsen die vóór 1 januari 1987 praktijkeigenaar waren), geldt overigens wel dat zij met het goodwillfonds de afspraak hebben gemaakt in de toekomst nooit goodwill te zullen vragen. Dit was een voorwaarde bij de uitkering. Deze huisartsen hebben dit met het zetten van hun handtekening onder de overeenkomst met het goodwillfonds beloofd. Op schending van deze afspraak staat ook een sanctie: terugbetaling van de oorspronkelijk ontvangen som, te vermeerderen met rente en een boete. 

  • In de ledenraad van de LHV is diverse keren de vraag aan de orde geweest wat het standpunt is ten aanzien van goodwill. Dit voor de eerste keer in 2007 en – naar aanleiding van diverse signalen uit het veld over een toename van het vragen van goodwill – opnieuw in 2016. Hieruit is naar voren gekomen dat de LHV het vragen en betalen van goodwill afwijst. Belangrijkste redenen:

    Goodwill

    • mag geen drempel opwerpen voor jonge huisartsen om zich te vestigen
    • kan leiden tot problemen in de samenwerking tussen huisartsen
    • heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van zorg.

    Voor meer achtergrondinformatie hieromtrent en een uitvoeriger uitleg over dit standpunt, verwijzen wij u naar het standpunt goodwill van de LHV.

    Het vorenstaande laat uiteraard onverlet dat iedere huisarts hierin zijn of haar eigen keuze mag maken; de LHV kan en mag géén goodwillverbod opleggen.

    Bijzondere huisartsgeneeskundige zorg

    Het standpunt van de LHV heeft overigens enkel betrekking op het basispakket van zorg, dat alle Nederlandse huisartsen leveren. De uitspraak van de ledenraad strekt zich derhalve niet uit over eventuele betaling van goodwill voor de bijzondere huisartsgeneeskundige zorg of andere vormen van zorg.    

  • In 2017 zijn hierover kamervragen gesteld. De toenmalig minister van VWS, minister Edith Schippers, heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat de overheid niet kan ingrijpen in de markt, omdat dit een aantasting van het eigendomsrecht zou betekenen. Wel geeft de minister het volgende aan:

    “Ik deel dus uw mening dat goodwillbetalingen ongewenst zijn en ik zie dat deze mening zeer breed gedeeld wordt in politiek, door zorgverzekeraars en in de beroepsgroep. En toch gebeurt het. Omdat het uiteindelijk aan de individuele stoppende huisarts is om te bepalen of hij of zij goodwill vraagt, roep ik dan ook elke huisarts op om af te zien van het vragen van een vergoeding voor goodwill en zich daartegen in voorkomende gevallen ook uit te spreken.”

    (Bron: brief 26 januari 2017 van Minister Schippers aan SGZ met kenmerk 1083938-160406-MC. Deze brief is in afschrift naar de Tweede Kamer gestuurd)

  • Bij de totstandkoming van het standpunt, alsmede in 2016 bij de heroverweging van het LHV-standpunt, heeft de LHV de onderstaande voor en tegenpunten afgewogen:GoodwillGoodwillGoodwill

  • In geval een praktijk of in geval van een associatie een maatschapsaandeel ter overname wordt aangeboden is het verstandig om een overdrachtsdocument op te vragen. Dit is een document opgesteld door de adviseur van de overdragende partij, waarin een algemene beschrijving van de praktijk wordt gegeven: samenstelling personeelsbestand, huur of eigendom van het pand, patiëntenaantal en alle voor de overdracht van belang zijnde (financiële) zaken worden benoemd. Hier staat dan vaak ook in of de overdragende partij goodwill vraagt en welk bedrag.

    Het is van groot belang om al in een vroeg stadium duidelijk te hebben of er goodwill wordt gevraagd. De praktijk leert dat de overdragende partij dit een lastig onderwerp vindt, en het nogal eens in het midden laat en daarmee vooruitschuift, om het dan in een later stadium van het traject alsnog in te brengen. Dit levert dan natuurlijk een teleurgestelde potentiële overnemer op, want die had dat niet meer verwacht.

    Dit leidt niet zelden tot hoogoplopende discussies, vooral in situaties dat een huisarts al enige tijd als waarnemer of Hidha werkzaam is in de praktijk in de verwachting te zullen opvolgen en niet had verwacht dat er ook goodwill zou worden gevraagd. Dit is uiteraard niet bevorderlijk voor een goede overdracht en kan bij overnemende en overdragende huisarts tot veel teleurstelling leiden. Dit kan worden voorkomen door met elkaar voorafgaand aan de overname een intentieverklaring op te maken waarbij eveneens de goodwill ter sprake wordt gebracht.

  • Wij zien in het werkveld diverse methoden om de te vragen goodwill cijfermatig te onderbouwen. Hoewel de LHV – zoals volgt uit het voorgaande – tegen het vragen van goodwill is, willen we toch inzicht geven in de methodiek die veel wordt gehanteerd, om de methodiek begrijpelijk te maken voor degenen die toch worden geconfronteerd met het fenomeen. Het is in dat geval wel van belang dat u een adviseur inschakelt. Omdat het dan eveneens van belang is dat u begrijpt hoe uw adviseur de goodwill onderbouwt, geven wij u dat inzicht.    

    1. Bedrag per patiënt

    Een van die methodes is om een bedrag per patiënt te rekenen. Er kan hierbij gedacht worden aan een bedrag per patiënt, waarbij het bedrag per patiënt afhankelijk wordt gemaakt van bijvoorbeeld de volgende elementen:

    Objectieve criteria:

    • opbouw en samenstelling omzet (segmenten);
    • aantal patiënten en samenstelling patiëntenpopulatie;
    • leeftijdsopbouw patiëntenpopulatie;
    • werkbelasting huisarts en assistente;
    • wijze van praktijkvoering;
    • aantal consulten en aantal spreekuren;
    • jaaroverzicht loonkosten personeel;
    • contract met de zorgverzekeraar (wel / geen goodwillverbod);
    • investeringen;
    • praktijkpand: ligging, grootte, staat van onderhoud, praktijkinrichting;
    • accreditatie;
    • samenwerking (solist/maatschap/gezondheidscentrum/kostenmaatschap/Hagro).

    Subjectieve criteria:

    • marktpositie (geografische ligging van de praktijk);
    • tijdspad van overname/associatie;
    • toekomstige ontwikkelingen;
    • uitstraling van de praktijk;
    • gunfactor overdragende huisarts(en);
    • hoe graag wil de overnemende partij ('droompraktijk' al dan niet).

    Omdat er vaak geen rekenkundige onderbouwing wordt gegeven van het bedrag per patiënt, is deze bepaling uiteindelijk meer subjectief dan objectief.

    2. Overwinstmethode

    De methode die door veel (de meeste) financieel adviseurs die veel actief zijn in de huisartsenzorg wordt gebruikt, is een overwinstmethode. Simpel gesteld komt deze methode erop neer dat er een “overwinst” wordt bepaald. Met overwinst wordt in deze methode bedoeld dat wat de betreffende praktijk meer aan winst genereert dan de gebruikelijke arbeidsbeloning voor de in de praktijk werkzame huisarts(en). Vaak wordt hierbij gesproken van economische meerwaarde, wat overigens ook gewoon goodwill is.

    De “overwinst” wordt gekregen door de genormaliseerde winst (dat wil zeggen gecorrigeerd voor eenmalige pieken en dalen in zowel omzet als kosten) over een zekere periode (meestal wordt één, twee of drie jaren gehanteerd) al dan niet op basis van een gewogen gemiddelde, te middelen. Van deze gemiddelde winst wordt dan het door de NZa vastgestelde norminkomen voor een huisarts afgetrokken (€ 140.000 uitgaande van prijspeil 2019 en 143.500 uitgaande van prijspeil 2020).  

    Uiteraard moet hierbij rekening gehouden worden met de vraag of er ook sprake is van een normpraktijk en hoeveel dagen er patiëntgebonden werkzaamheden worden verricht (zeg maar het aantal ‘fte’). Verder moeten er nog enkele correctieposten worden toegepast (hierna wordt nog iets dieper ingegaan op de systematiek en worden ook enkele correctieposten genoemd). Hierna is er een basisbedrag “overwinst” bepaald. De onderhandelingen gaan vervolgens vaak over de toe te passen “correctiefactor” waarmee de overwinst al of niet nog wordt vermenigvuldigd. Het bepalen van de correctiefactor is veelal afhankelijk van diverse objectieve en subjectieve factoren, die zich niet laten “vangen” in een rekenkundig model. Het betreft dan de volgende factoren:

    Objectieve criteria:

    • opbouw en samenstelling omzet (segmenten);
    • aantal patiënten en samenstelling patiëntenpopulatie;
    • leeftijdsopbouw patiëntenpopulatie;
    • werkbelasting huisarts en assistente;
    • wijze van praktijkvoering;
    • aantal consulten en aantal spreekuren;
    • jaaroverzicht loonkosten personeel;
    • contract met de zorgverzekeraar (wel / geen goodwillverbod);
    • investeringen;
    • praktijkpand: ligging, grootte, staat van onderhoud, praktijkinrichting;
    • accreditatie;
    • samenwerking (solist/maatschap/gezondheidscentrum/kostenmaatschap/Hagro).

    Subjectieve criteria:

    • marktpositie (geografische ligging van de praktijk);
    • tijdspad van overname/associatie;
    • toekomstige ontwikkelingen;
    • uitstraling van de praktijk;
    • gunfactor overdragende huisarts(en);
    • hoe graag wil de overnemende partij ('droompraktijk' al dan niet).

    Nog iets dieper ingaand op de overwinst: deze wordt als volgt bepaald:

    • er wordt over het algemeen naar de gerealiseerde resultaten over het afgelopen jaar of de afgelopen twee of drie jaar van de praktijk gekeken;
    • vanuit de gerealiseerde resultaten, wordt het genormaliseerde resultaat van de praktijk berekend. Normalisatie houdt in dat de bijzondere/incidentele baten en lasten worden gecorrigeerd op de gerealiseerde resultaten;
    • omdat de arbeidsbeloning van de huisarts-praktijkhouder wordt gebaseerd op een NZa norm, waarbij in het bepalen van die norm geen rekening is gehouden met de vergoeding voor ANW diensten (huisartsenpost), wordt de vergoeding voor de ANW diensten eveneens van de resultaten afgetrokken;
    • vervolgens worden de arbeidscomponenten van ingehuurde huisartsen (waarnemers) en huisartsen in loondienst opgeteld bij de van de resultaten (HidHa’s en kosten waarnemers);
    • indien er een huisarts in opleiding in de praktijk werkt, wordt de vergoeding hiervoor eveneens van de resultaten afgetrokken;
    • van de aldus berekende genormaliseerde resultaten, wordt – indien gekeken wordt naar de jaarcijfers over meerdere jaren - het (gewogen) gemiddelde genomen;
    • van dit berekende bedrag wordt de arbeidsbeloning van de huisarts conform de Nza – norm afgetrokken. Deze arbeidsbeloning wordt voor de betreffende praktijk berekend door het daadwerkelijke aantal patiënten te delen door het aantal patiënten van een normpraktijk (2020: 2095 patiënten) en dit vervolgens te vermenigvuldigen met de door de Nza vastgestelde arbeidsbeloning voor huisartsen. Veelal wordt dan de door de NZa vastgestelde arbeidsbeloning voor het voorafgaande jaar genomen (€ 140.000 volgens prijspeil 2019 en € 143.500 voor prijspeil 2020). Wanneer de arbeidsinzet significant afwijkt van de norminzet, wordt in de voormelde berekening van de aftrek arbeidsbeloning soms, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de betreffende praktijk, de daadwerkelijke inzet in Fte genomen;
    • het bedrag dat aldus overblijft is de overwinst;
    • deze overwinst wordt vermenigvuldigd met een factor die in de praktijk – zo hebben wij vanuit het veld vernomen – vaak ligt tussen de 0,5 en 2.

    Omdat de criteria om te komen tot de correctiefactor allen geen 'harde' criteria zijn, is het resultaat van de goodwillonderhandelingen erg afhankelijk van in de kern drie factoren: het inhoudelijke onderhandelingsproces (de kwaliteit van de adviseur), de gunfactor van de overdragende partij en de mate waarin de overnemende partij de praktijk wil overnemen/wil associëren. In dat kader is het van belang een goede taakverdeling af te spreken met de adviseur. Uitgangspunt hierbij is dat de relatie tussen de overnemende partij (de waarnemer) en de overdragende partij (de praktijkhoudende huisarts/maatschap) goed blijft: scheiding inhoud en relatie.

    Er zijn ook methoden van goodwillberekening die binnen het MKB worden gebruikt om tot een bepaling van de goodwill te komen, zoals bepaling van goodwill op basis van intrinsieke waarde, rentabiliteitswaarde of de discounted cashflow methode (DCF). Deze methoden worden binnen de huisartsenzorg echter niet of nauwelijks gebruikt.

Inloggen

  • Het besloten gedeelte van de LHV-website is toegankelijk voor LHV-leden, LHV-medewerkers en praktijkmanagers van LHV-leden (onder voorwaarden). Inloggen op de website kan met het HAweb-account. U kunt hier een inlog aanvragen voor uw praktijkmanager.

    Op HAweb kunt u ook niet-leden uitnodigen om met u samen te werken in groepen. Echter geeft dit zogenaamde gastaccount geen toegang tot het besloten deel van de LHV-website.

  • Om in te loggen op de LHV-website klikt u op Inloggen bovenin het scherm. U heeft daarbij uw HAweb-inloggegevens nodig. Heeft u nog geen HAweb-account, dan kunt u die als LHV-lid activeren. Ga daarvoor naar Account activeren en volg de stappen.

    Heeft u problemen met het activeren van uw account, neemt u dan contact op met de HAweb-helpdesk via helpdesk@haweb.nl.

     

  • U kunt uw e-mailadres invoeren op de pagina Wachtwoord vergeten. U ontvangt dan een e-mail met instructies hoe u een nieuw wachtwoord kunt instellen. Bent u het e-mailadres vergeten dat u gekoppeld heeft aan uw inlogaccount, neem dan contact op met de LHV via helpdesk@haweb.nl of 085 – 04 80 000.

  • Ja, u kunt als praktijkmanager een inlog voor de LHV-website aanvragen als de helft van de huisartsen waar u als praktijkmanager voor werkt, lid is van de LHV. De inlogcode heeft een geldigheidsduur van een jaar en vervalt daarna automatisch. Indien gewenst kunt u dan opnieuw een verzoek indienen.

Juridische zaken

  • Om uw belangen goed en adequaat te kunnen behartigen, moeten wij tegenstrijdige belangen tussen onze leden zoveel mogelijk proberen te voorkomen. Dit betekent dat wij niet kunnen adviseren in situaties waarbij de belangen van twee leden met elkaar (kunnen) conflicteren. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij geschillen binnen de Hagro, geschillen binnen de maatschap en dissociaties. Als er sprake is van een dergelijk geschil kunt u wél samen een juridische vraag aan ons voorleggen. 

    Als er sprake is van een (dreigend) conflicterend belang, kunt u zich tot uw rechtsbijstandsverzekeraar wenden of kunnen wij u doorverwijzen naar andere juridische specialisten binnen ons netwerk. Voor deze dienstverlening zult u zelf de kosten moeten dragen.

  • Nee, de LHV kan niet optreden als uw juridisch vertegenwoordiger in juridische kwesties. We zien dat de meeste van onze leden een rechtsbijstandsverzekering hebben, waarin  wordt voorzien in rechtshulp van de rechtsbijstandsverzekeraar.

    Als u daar behoefte aan heeft, kunnen wij u doorverwijzen naar een voor uw juridische kwestie goed gekwalificeerde jurist of advocaat, waarbij de aanvullende kosten voor uw eigen rekening zijn. Als juridische vertegenwoordiging (nog) niet noodzakelijk is, kunnen wij u wel voorzien van de nodige juridische input om zelf een brief op te stellen.

  • Bij de afdeling Juridische Zaken kunnen alle leden van de LHV terecht voor deskundig, kosteloos en praktisch advies bij diverse juridische vraagstukken.

    Zo kan de LHV u helpen met:

    • vraagstukken rondom uw praktijkvoering, zoals de keuze van de juiste rechtsvorm
    • de juridische afwikkeling van een praktijkoverdracht, dissociatie etc.
    • de beoordeling van huurovereenkomsten, intentieverklaringen en andersoortige overeenkomsten
    • modelovereenkomsten over verscheidene onderwerpen
    • het adviseren over mededingingsvraagstukken
    • het adviseren rondom arbeidsrechtelijke vragen, bijvoorbeeld over tussentijdse beëindiging van arbeidsovereenkomsten, ziekte of zwangerschap en freelance overeenkomsten.

    Eerstelijns advisering

    U kunt bij ons terecht voor kosteloos eerstelijns juridisch advies over alle juridische vragen waar u in uw werk als huisarts mee te maken krijgt. U kunt daarbij denken aan vragen rondom de overeenkomsten met zorgverzekeraars, vragen betreffende de relatie patiënt-huisarts, vragen over overeenkomsten en reglementen, arbeidsrechtelijke vragen, vragen over de juridische verhouding met de overheid (bestuursrecht), vragen over privacy, vragen over materiële controles etc.  

    Wat houdt eerstelijns advies in? Juridische advisering waarvan wij inschatten dat we die binnen een tijdsbestek van ongeveer vier uren kunnen afronden en waarvoor wij de benodigde juridische kennis in huis hebben.

    Wanneer verwijzen wij u door? Wij verwijzen u door wanneer u vragen hebt over zeer specifieke juridische materie (bijvoorbeeld fiscale vragen) of als wij inschatten dat de adviesvraag niet binnen vier uur te behandelen is. Wij helpen u dan verder door te verwijzen naar juridische, goed-gekwalificeerde specialisten binnen ons netwerk. De kosten voor verdere advisering zijn dan voor uw eigen rekening. Vanzelfsprekend proberen wij direct bij u aan te geven of uw vraag binnen het eerstelijns advies valt of niet.

Juridische vragen over problemen met een leverancier

Lidmaatschap en contributie

  • De LHV hanteert een contributiehoogte naar draagkracht. Zo willen we garanderen dat het lidmaatschap voor iedereen toegankelijk blijft.

  • Ja, de LHV heeft een speciaal instaptarief voor huisartsen in het eerste jaar dat ze de huisartsopleiding hebben afgerond. Het actueel instaptarief vindt u hier.

  • De belangrijkste wijziging is dat voor alle praktiserende huisartsen hetzelfde systeem zal worden gehanteerd. De echtparenkorting (die sinds 2012 al niet meer nieuw werd toegekend) vervalt. In plaats daarvan wordt er een loyaliteitskorting ingevoerd, voor leden die langer dan vijf jaar lid zijn.

    De hoogte van de contributie wordt bepaald op basis van het werkelijke inkomen van de huisarts (WUO in geval van praktijkhouders en waarnemers; Jaarsalaris in geval van huisartsen die ergens in dienst zijn). De afdracht voor de KNMG wordt niet meer berekend op basis van uw inkomen. U ontvangt nog maar één factuur. 

  • De LHV vindt de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van haar leden, klanten en contactpersonen van essentieel belang. Persoonsgegevens worden dan ook met de grootst mogelijke zorgvuldigheid behandeld en beveiligd. Lees hier meer.

  • Alle wijzigingen in het lidmaatschap kunnen het hele jaar door ons worden verwerkt. Om de contributieklasse aan te laten passen, dient u een kopie op te sturen van uw meest recente UPO-formulier. Op basis daarvan kan de klasse worden aangepast. Indien nodig kunnen wij met een maximum van één jaar met terugwerkende kracht financiële correcties doorvoeren.

  • De LHV behartigt uw belangen als huisarts en biedt u ondersteuning voor uw dagelijks werk. Profiteer als LHV-lid van voordelen als gratis producten, kortingen en advies op maat. Zo vertegenwoordigen we huisartsen in de politiek en bij partijen waar u veel mee te maken heeft. Doordat we ruim 12.000 leden hebben, kunnen wij de stem van de huisartsen luid en duidelijk verkondigen. Door uw lidmaatschap draagt u daar aan bij. Bekijk hier meer informatie over het lidmaatschap.

  • Alle Kringen hebben hetzelfde basistakenpakket. De hoogte van de Kringcontributie is afhankelijk van de werkwijze waarmee de Kringen dit pakket uitvoeren. Ook bieden sommige Kringen nog een aanvullend pakket aan. Daarvoor moeten de Kringbesturen goedkeuring hebben van de leden in hun Kring.  Dit kan ertoe leiden dat sommige Kringen andere bedragen rekenen dan anderen. De Kring waar u lid van bent, kan u hierover meer informatie geven.

  • Facturen staan klaar in Mijn LHV en kunnen via iDEAL worden betaald. Uiteraard kan het ook via een overschrijving worden gedaan. 

  • U kunt uw adreswijziging schriftelijk (postbus 20056, 3502 LB te Utrecht), per e-mail (ledenadministratie@lhv.nl), via Mijn LHV of telefonisch (085-048 00 31) doorgeven. 

  • U kunt het lidmaatschap schriftelijk (postbus 20056, 3502 LB te Utrecht) of per e-mail (ledenadministratie@lhv.nl) opzeggen.

    Opzeggen moet uiterlijk één maand voor het einde van het kalenderjaar, dus uiterlijk 1 december van dat jaar. Meer informatie.

  • Omdat de LHV er voor de belangen en ondersteuning van alle huisartsen is. Alle huisartsen moeten kunnen rekenen op een gelijkwaardige vertegenwoordiging en ondersteuning. We willen zorgen dat we een vereniging zijn waar alle leden, in welke regio en in welke vorm ze ook werkzaam zijn als huisarts, zich thuis voelen bij en vertegenwoordigd voelen door de LHV. Daarnaast zijn de meeste thema’s waar de LHV zich mee bezighoudt van invloed op de hele huisartsenzorg. Alle huisartsen profiteren dus van die inzet.

  • Per 2020 kijken we naar uw werkelijke inkomen, hetzij Winst uit onderneming (WUO) dan wel Salaris. Voor het bepalen van het bruto beroepsinkomen moest een berekening worden uitgevoerd, vaak door een financieel adviseur. Winst uit onderneming (in het geval van waarnemend en praktijkhoudende huisartsen) en het bruto jaarsalaris (voor huisartsen die in dienst zijn) zijn gegevens die gemakkelijk aan te leveren zijn. Deze gegevens vindt u namelijk terug op het UPO (Uniform Pensioen Overzicht) welke door uw pensioenfonds wordt verstrekt.

  • De wijziging van de contributiesystematiek is onderdeel van wat we noemen ‘1 LHV’: “Eén huisarts, één LHV, één contributie”. De LHV is er voor de belangen en ondersteuning van alle huisartsen in Nederland. Het maakt niet uit op welke manier en waar u werkzaam bent in de huisartsenzorg, de LHV is er voor u. Dat kunt u ook terugzien in het lidmaatschap: we heffen de verschillen in lidmaatschappen en contributies op.

    Dat betekent dat alle praktiserende huisartsen kunnen rekenen op dezelfde mate van vertegenwoordiging en ondersteuning en daarvoor ook hetzelfde bedrag betalen. Zowel landelijk als op Kringniveau. Daarmee wordt de contributiesystematiek ook een stuk overzichtelijker: we gaan van 23 regionale en één landelijke systematiek met allemaal verschillende indelingen per type lidmaatschap, naar één gezamenlijke systematiek door de hele vereniging heen.